Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC3284

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-01-2008
Datum publicatie
01-02-2008
Zaaknummer
07-2157 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Blijvende gehele weigering WW-uitkering vanwege verwijtbare werkloosheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2008, 106
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2157 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 maart 2007, 06/2629 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 januari 2008.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. van Dijk, advocaat te Hilversum, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2007. Appellante is -met bericht - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.R.H. Barendregt, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Appellante was sinds 1 oktober 2004 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd werkzaam als medewerker schoonmaak bij [werkgever] (hierna: de werkgever). De arbeidsovereenkomst van appellante is per 1 april 2005 gewijzigd en verlengd tot 1 oktober 2005. De werkgever heeft de arbeidsovereenkomst per 1 oktober 2005 niet verlengd. Appellante heeft op 5 oktober 2005 een WW-uitkering aangevraagd.

3. Bij besluit van 22 november 2005 heeft het Uwv appellante ervan in kennis gesteld dat haar WW-uitkering blijvend geheel wordt geweigerd op de grond dat appellante geen contractverlenging heeft gekregen aangezien zij niet meer in het weekend wilde werken. Appellante had kunnen weten dat haar gedrag tot ontslag zou leiden, zodat zij verwijtbaar werkloos is geworden.

4. Bij besluit van 14 maart 2006 heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 22 november 2005 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het Uwv primair ten grondslag gelegd dat de dienstbetrekking van appellante is geëindigd, terwijl aan voortzetting daarvan niet zodanige bezwaren verbonden waren dat dit redelijkerwijs niet van appellante kon worden gevergd. Het Uwv heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat appellante op grond van hetzelfde feitencomplex tevens door eigen toedoen geen passende arbeid heeft behouden.

5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat vast is komen te staan dat gesprekken hebben plaatsgevonden tussen appellante en haar werkgever over de verlenging van het contract. Bij de werkgever bestond de intentie om tot verlenging van de arbeidsovereenkomst over te gaan, maar met name de problemen rond het werken in het weekend zijn reden geweest van verlenging van het contract af te zien. Tegenover de consistente en gedetailleerde verklaringen van de werkgever daarover heeft appellante niets anders dan een ontkenning gesteld. De rechtbank heeft geen reden gezien om te twijfelen aan de juistheid van de verklaringen van de werkgever. Dat de werkgever in de brief van 29 augustus 2005 geen reden voor de beëindiging van het contract heeft opgegeven doet daar niet aan af. Voor zover de problemen van appellante met het werken in het weekend op een misverstand berustte, had het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van appellante gelegen om contact met de werkgever op te nemen. Appellante heeft dit om haar moverende redenen nagelaten, hetgeen voor haar rekening dient te komen. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van verwijtbare werkloosheid op grond van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW. Ten slotte is de rechtbank niet gebleken van feiten en omstandigheden die kunnen leiden tot het oordeel dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid.

6. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat het contract niet werd verlengd omdat sprake zou zijn van uitbesteding van de schoonmaakwerkzaamheden aan andere bedrijven. Appellante heeft altijd in het weekend gewerkt en was ook bereid dit in de toekomst te blijven doen. Zij weet dat haar echtgenoot het daar niet mee eens was, maar het is haar arbeidsovereenkomst en haar gezin heeft het geld hard nodig. Voorts heeft appellante gesteld dat zij het niet eens is met het oordeel van de rechtbank dat zij contact had moeten opnemen met de werkgever om de onduidelijkheid over het werken in het weekend weg te nemen. Voordat haar werd medegedeeld dat het contract niet werd verlengd, blijkt uit niets dat appellante problemen had om in de weekenden te werken. Dit blijkt slechts uit de verklaringen van de werkgever achteraf. Deze mogen naar de mening van appellante niet in haar nadeel werken. Door de achteraf opgestelde verklaringen van de werkgever was appellante zo teleurgesteld dat zij daar niet meer wilde werken.

7. De Raad overweegt als volgt.

7.1. Ingevolge artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten derde, van de WW rust op de werknemer de verplichting te voorkomen dat hij werkloos is of blijft, doordat hij door eigen toedoen geen passende arbeid behoudt. Zoals de Raad al eerder heeft overwogen, onder meer in zijn uitspraak van 21 mei 1991, LJN ZB2048, RSV 1991/283, kan in een geval als het onderhavige, waarbij de dienstbetrekking van rechtswege is geëindigd door het expireren van de overeengekomen termijn, het intreden van de werkloosheid te wijten zijn aan het toedoen van de werknemer, wanneer duidelijk is dat het dienstverband zou zijn verlengd indien de werknemer zich niet zou hebben schuldig gemaakt aan een handelen of nalaten dat tot het niet verlengen heeft geleid en dat hem, vanuit het oogpunt van toepassing van de WW, kan worden aangerekend. De Raad is van oordeel dat appellante deze bepaling op zich van toepassing heeft doen worden.

7.2. De Raad stelt vast dat uit de gedingstukken genoegzaam naar voren komt dat het niet verlengen van de arbeidsovereenkomst is ingegeven door de opstelling van appellante tegenover het werken in de weekenden. De werkgever heeft verklaard dat met appellante meerdere gesprekken hebben plaatsgevonden ter zake van een mogelijke verlenging van de arbeidsovereenkomst, maar dat appellante, mede ingegeven door de wens van haar echtgenoot, niet langer in het weekend wenste te werken. Dit was voor de werkgever reden om niet tot verlenging van de arbeidsovereenkomst over te gaan. Voorts heeft de werkgever aan het Uwv te kennen gegeven dat de arbeidsovereenkomst zou zijn verlengd indien appellante wel in het weekend had willen werken.

7.3. Tegenover de consistente en gedetailleerde verklaringen van de werkgever dat appellante niet meer in de weekenden wenste te werken, heeft appellante niets anders dan een enkele ontkenning gesteld. De Raad acht dit onvoldoende om de weigering van de WW-uitkering onjuist te achten. Bovendien ziet de Raad geen reden om aan de juistheid van de verklaringen van de werkgever te twijfelen.

7.4. Nu de Raad geen redenen aanwezig acht op grond waarvan het niet nakomen van de in 7.1. genoemde verplichting appellante niet in overwegende mate kan worden verweten, heeft het Uwv terecht op de subsidiaire grond van het bestreden besluit de WW-uitkering blijvend geheel geweigerd.

7.5. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is de Raad van oordeel dat de aangevallen uitspraak, onder verbetering van gronden, dient te worden bevestigd.

8. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.R.S. Bacon als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2008.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) M.R.S. Bacon.

BvW