Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC3283

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-01-2008
Datum publicatie
01-02-2008
Zaaknummer
07-846 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WW-uitkering aan zelfstandige. Weigering WW-uitkering. Beschikbaarheid arbeidsmarkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2008, 78
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/846 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 28 december 2006, 06/3499 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 januari 2008.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. T.J. van Veen, advocaat te Ede. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.C.M. van de Pol, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 8 maart 2006,

05/153 WW in het geding tussen partijen en naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

2.1. Op de aanvraag van appellant van 21 oktober 2003 om een WW-uitkering heeft het Uwv bij besluit van 4 november 2003 afwijzend beslist op grond van de overweging dat appellant per 1 januari 2002 als zelfstandige werkte en dat hij de status van werknemer niet kon herkrijgen omdat hij langer dan anderhalf jaar als zelfstandige heeft gewerkt. Bij besluit op bezwaar van 31 december 2003 heeft het Uwv de bezwaren van appellant ongegrond verklaard en daarbij overwogen dat appellant vanaf 1 januari 2002 werkzaamheden heeft verricht uit hoofde waarvan hij op grond van de WW niet als werknemer wordt beschouwd. Bij uitspraak van 30 november 2004 heeft de rechtbank het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat de overgelegde verklaringen en gegevens onvoldoende grond bieden om te concluderen dat appellant in de gehele periode van 1 januari 2002 tot het moment waarop hij zijn aanvraag heeft ingediend werkzaamheden als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de WW heeft verricht. Naar aanleiding van het daartegen ingestelde hoger beroep door het Uwv heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Daarbij heeft de Raad geoordeeld dat appellant per 1 januari 2002 niet de hoedanigheid van werknemer in de zin van artikel 8, eerste lid, van de WW had verloren.

2.2. Bij het nieuwe besluit op bezwaar van 2 juni 2006 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellant wederom ongegrond verklaard en is de gevraagde WW-uitkering per 1 januari 2002 geweigerd omdat appellant per genoemde datum niet beschikbaar was om arbeid te aanvaarden in verband met de zorgtaken die hij op zich had genomen voor zijn zieke echtgenote. Omdat appellant heeft aangegeven per 12 juni 2003 arbeid te zijn gaan verrichten als zelfstandige, wordt door het Uwv uitgegaan van beschikbaarheid per genoemde datum. Per 12 juni 2003 wordt de WW-uitkering evenwel geweigerd omdat appellant in de 39 weken vóór 12 juni 2003 niet in tenminste 26 weken als werknemer arbeid heeft verricht.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv wordt gevolgd in het standpunt dat appellant er niet in is geslaagd op overtuigende wijze aan te tonen dat hij, naast de verzorging van zijn echtgenote en onder de gegeven omstandigheden, per

1 januari 2002 beschikbaar was voor de arbeidsmarkt. Voorts heeft het Uwv volgens de rechtbank terecht aangenomen dat appellant per 12 juni 2003 weer beschikbaar was voor arbeid op de arbeidsmarkt, maar dat hij niet voldoet aan de referte-eis neergelegd in artikel 17, aanhef en onder a, van de WW, aangezien hij in de 39 weken onmiddellijk voorafgaand aan de eerste dag van werkloosheid niet in tenminste 26 weken als werknemer arbeid heeft verricht.

4. Appellant heeft het oordeel van de rechtbank in hoger beroep bestreden. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte het Uwv heeft gevolgd in het standpunt dat appellant per 1 januari 2002 niet voldeed aan het beschikbaarheidsvereiste, als genoemd in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW en dat dientengevolge ten onrechte 12 juni 2003 is aangemerkt als eerste werkloosheidsdag. Hij heeft daartoe gewezen op het feit dat hij tussen 1 januari 2002 en 20 juni 2003 diverse uitzendbureaus heeft aangeschreven om zijn diensten aan te bieden en zijn c.v. per e-mail heeft verspreid, alsmede dat hij in die periode de heer Kalkwarf heeft begeleid bij een arbeidsconflict.

5.1. Ter beoordeling staat thans de vraag of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over het bestreden besluit. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

5.2. Onder verwijzing naar de onder 2.1. genoemde uitspraak van de Raad staat vast dat appellant vanaf 1 januari 2002 het werknemerschap heeft behouden. Appellant heeft eerst op 21 oktober 2003 een aanvraag ingediend om met ingang van 1 januari 2002 in aanmerking te komen voor een WW-uitkering. Zoals de Raad reeds vaker heeft overwogen, onder andere in zijn uitspraak van 7 april 2004, LJN AP3617, USZ 2004/212, dient in het geval waarin geruime tijd na het ontstaan van de gestelde werkloosheid om een WW-uitkering wordt verzocht, terwijl daartoe in beginsel eerder de mogelijkheid bestond, op overtuigende wijze door betrokkene te worden aangetoond dat ten tijde van belang aan alle voorwaarden voor het recht op uitkering, waaronder beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt, werd voldaan. In een dergelijke situatie kan het Uwv zich immers slechts achteraf een juist beeld trachten te vormen van de gestelde feiten en omstandigheden, waaronder houding en gedrag van betrokkene.

5.3. De Raad overweegt dat zowel op basis van hetgeen uit de gedingstukken naar voren is gekomen als uit het verhandelde te zijner zitting ook naar zijn oordeel appellant er niet in is geslaagd zijn beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt op een eerder moment dan 12 juni 2003 aannemelijk te maken. Daartoe wijst de Raad erop dat appellant eerder heeft verklaard dat hij vanaf 1 januari 2002 zijn tijd moest besteden aan het verzorgen van zijn echtgenote en dat hij geen mogelijkheden had om daarnaast te werken, alsmede dat hij op zijn aanvraag om een WW-uitkering heeft vermeld dat hij niet heeft gesolliciteerd sinds hij wist dat hij werkloos werd, in verband met de oprichting van zijn éénmanszaak per 1 januari 2002. De enkele mededeling van appellant dat hij vanaf juni 2002 uitzend-bureaus heeft aangeschreven en dat hij zijn c.v. per e-mail heeft verspreid teneinde langs die weg werk te vinden, acht de Raad niet verifieerbaar en onvoldoende onderbouwd om op basis daarvan beschikbaarheid van appellant in januari, dan wel vanaf juni 2002 te kunnen aannemen. Evenmin kan naar het oordeel van de Raad in dit verband betekenis worden toegekend aan de door appellant verleende incidentele begeleiding van de heer Kalkwarf in een arbeidsrechtelijk geschil vanaf 26 juni 2002 nu deze activiteiten veeleer als een vriendendienst moeten worden beschouwd en niet als een teken dat appellant zich op de arbeidsmarkt heeft begeven.

5.4. Gelet op het vorenstaande en de overige voorhanden gegevens is de Raad dan ook met het Uwv van oordeel dat appellant eerst met ingang van 12 juni 2003 werkloos is geworden. Derhalve dient te worden beoordeeld of appellant met ingang van laatstgenoemde datum recht heeft op een WW-uitkering, in welk verband onder meer dient te worden beoordeeld of appellant aan de in artikel 17, aanhef en onder a, van de WW vermelde referte-eis voldoet. Vaststaat dat appellant in 39 weken voorafgaand aan 12 juni 2003 niet in tenminste 26 weken arbeid als werknemer heeft verricht, zodat het Uwv terecht op die grond het recht op een WW-uitkering aan appellant heeft onthouden.

5.5. Op grond van het vorenstaande komt de Raad dan ook tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.J. Goorden en B.M. van Dun als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2008.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) M.B. de Gooijer.

BvW