Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC3282

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-01-2008
Datum publicatie
01-02-2008
Zaaknummer
07-909 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WW-uitkering. Referte-eis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/909 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 26 januari 2007, 06/1936 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 januari 2008.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D. Grégoire, advocaat te Sittard, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 5 december 2007. Aldaar zijn partijen met voorafgaand bericht niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

2.1. Appellante is met ingang van 29 juli 1997 als verkoopster op afroep werkzaam geweest bij [werkgever] (hierna: werkgever). Op 18 januari 2005 heeft zij zich ziek gemeld. Op 15 september 2005 heeft de bedrijfsarts appellante met ingang van 27 september 2005 volledig arbeidsgeschikt verklaard. Op laatstgenoemde datum heeft appellante haar werkzaamheden niet hervat, waarna haar werkgever de loonbetaling heeft stopgezet. Bij brief van 3 februari 2006 heeft de werkgever, na verkregen toestemming van de Raad van bestuur van de Centrale organisatie werk en inkomen, de arbeidsovereenkomst met appellante per 25 maart 2006 opgezegd.

2.2. Vervolgens heeft appellante een aanvraag om een uitkering ingevolge de WW ingediend. Bij besluit van 28 april 2006 heeft het Uwv aan appellante medegedeeld dat zij per 27 maart 2006 geen WW-uitkering kan krijgen op de grond dat zij in de 39 weken voordat zij werkloos werd niet in tenminste 26 weken als werknemer arbeid heeft verricht. Bij het bestreden besluit op bezwaar van 11 augustus 2006 heeft het Uwv het besluit tot afwijzing van de WW-aanvraag gehandhaafd. Daartoe is overwogen dat appellante in de periode van 27 september 2005 tot en met 26 maart 2006 niet heeft gewerkt, zodat zij niet aan de wekeneis voldoet. Het Uwv stelt zich voorts op het standpunt dat de door appellante geclaimde arbeidsongeschiktheid per 27 september 2005 niet vaststaat, zodat de voor de referte-eis relevante periode niet kan worden voorverlengd.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv terecht 27 maart 2006 als eerste werkloosheidsdag heeft aangemerkt, omdat op grond van de beschikbare gegevens moet worden geoordeeld dat appellante eerst op of omstreeks laatstgenoemde datum beschikbaar was voor de arbeidsmarkt. Voorts heeft de rechtbank geconcludeerd dat vaststaat dat appellante in de 39 weken voorafgaande aan de eerste werkloosheidsdag minder dan 26 weken heeft gewerkt en dat deze referteperiode op grond van artikel 17a van de WW niet kan worden voorverlengd, omdat niet is komen vast te staan dat appellante in de referteperiode daadwerkelijk arbeidsongeschikt is geweest. Mitsdien heeft het Uwv volgens de rechtbank terecht besloten dat appellante per 27 maart 2006 geen recht heeft op een WW-uitkering.

4. Appellante heeft het oordeel van de rechtbank in hoger beroep bestreden. Onder herhaling van hetgeen zij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd, heeft zij gesteld dat de eerste werkloosheidsdag onjuist is vastgesteld omdat zij op of omstreeks 27 september 2005 haar recht op loonbetaling heeft verloren en op dat moment wel beschikbaar was voor de arbeidsmarkt en dus werkloos was in de zin van artikel 16 van de WW. Appellante stelt dat zij op dat moment ook voldeed aan de in artikel 17, aanhef en onder a, van de WW, gestelde wekeneis.

5.1. Ter beoordeling staat thans de vraag of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over het bestreden besluit. De Raad overweegt daartoe als volgt.

5.2. Naar aanleiding van hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat per 27 september 2005 sprake was van verlies van het recht op onverminderde doorbetaling van het loon en dat eveneens sprake was van een relevant urenverlies, doch dat appellante per genoemde datum geen aanspraak kan maken op een WW-uitkering omdat zij niet voldoet aan de in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW, gestelde eis dat zij beschikbaar is om arbeid te aanvaarden en derhalve niet werkloos is. Naar het oordeel van de Raad is evenwel op basis van de beschikbare gegevens niet komen vast te staan dat appellante met betrekking tot de gehele periode van 27 september 2005 tot 27 maart 2006 door houding en gedrag ondubbelzinnig te kennen heeft gegeven dat zij niet beschikbaar was om arbeid te aanvaarden. Uit de voorhanden gedingstukken blijkt in dit verband dat appellante zich op 8 december 2005 bij de Centrale organisatie werk en inkomen heeft laten inschrijven, welke inschrijving geldig was tot 8 december 2006, terwijl zij op het aanvraagformulier om WW-uitkering heeft vermeld dat zij voorafgaand aan 26 maart 2006 drie sollicitaties heeft verricht. Nu het Uwv geen onderzoek heeft ingesteld naar de gevolgen hiervan voor de beoordeling van de beschikbaarheid van appellante is de Raad van oordeel dat de vaststelling van de eerste werkloosheidsdag door het Uwv op onvoldoende onderzoek berust, zodat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot stand is gekomen.

5.3. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellante slaagt, dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit moeten worden vernietigd en dat het Uwv, met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen, opnieuw moet beslissen op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 28 april 2006. Daarbij zal het Uwv tevens dienen te beslissen of appellante mogelijk aanspraak heeft op vergoeding van wettelijke rente en op vergoeding van proceskosten voor verleende rechtsbijstand in de bezwaarschriftfase.

6. De Raad ziet aanleiding om het Uwv, met toepassing van artikel 8:75 van de Awb, te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep tot een bedrag van € 322,-- en in hoger beroep tot een bedrag van € 322,--, in totaal derhalve € 644,--, wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Draagt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op om met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen een nieuw besluit op bezwaar te nemen;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 644,-- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het door haar betaalde griffierecht van € 142,-- (€ 37,-- en € 105,--) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.R.S. Bacon als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2008.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) M.R.S. Bacon.

BvW