Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC3281

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-01-2008
Datum publicatie
01-02-2008
Zaaknummer
06-964 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Belastbaarheid en geschiktheid geselecteerde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/964 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 22 december 2005, 05/519 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna:

Uwv).

Datum uitspraak: 23 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft H.J.A. Aerts, werkzaam als juridisch medewerker bij het advocatenkantoor Delescen & Scheers te Roermond, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde Aerts. Het Uwv heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door W.J.M.H. Lagerwaard.

II. OVERWEGINGEN

Appellante is vanaf 1 juni 1998 werkzaam geweest in dienst van

Tabaks- & Zoetwarengroothandel Zuid-Nederland B.V. te Venlo, laatstelijk in de functie van magazijnmedewerker gedurende 12,5 uren per week. Per 31 maart 2003 heeft appellante zich ziek gemeld vanwege fysieke en psychische klachten. Na onderzoek door een verzekeringsarts, die tevens informatie heeft ingewonnen bij de huisarts van appellante, is een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld waarin beperkingen zijn opgenomen ten aanzien van de lichamelijke belastbaarheid van appellante. Na onderzoek is de arbeidsdeskundige tot de conclusie gekomen dat appellante haar eigen arbeid kan verrichten en tevens in staat is een aantal functies te vervullen waardoor geen sprake is van een verlies aan verdiencapaciteit. Bij een ongedateerd besluit, dat appellante op 11 oktober 2004 heeft ontvangen, heeft het Uwv appellante met ingang van

29 maart 2004 de uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontzegd. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 16 maart 2005 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat bij het onderzoek door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts de aard en omvang van haar, in het bijzonder psychische, beperkingen zijn onderschat. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft appellante een beroep gedaan op het rapport van zenuwarts dr. H.L.S.M. Busard die appellante op haar verzoek op 27 april 2006 heeft onderzocht. Dr. Busard is tot de conclusie gekomen dat appellante lijdt aan een ongedifferentieerde somatoforme stoornis en vooralsnog zonder verdere specifieke behandeling ongeschikt is om regulier en duurzaam te werken. Die ondersteuning vindt appellante tevens in een brief van het revalidatiecentrum Het Roessingh van 16 november 2006 en het behandelplan dat psychiater J. Butenaerts op 11 februari 2007 heeft opgesteld.

Na verkregen toestemming van de Raad heeft het Uwv psychiater J.D.J. Tilanus verzocht appellante te onderzoeken. Op 18 september 2007 heeft deze psychiater rapport uitgebracht van het verrichte onderzoek. Naar aanleiding van dit rapport heeft bezwaarverzekeringsarts P.M.H.J. Tjen de FML aangepast en daarin tevens beperkingen opgenomen in de rubrieken persoonlijk functioneren en sociaal functioneren. Bezwaararbeidsdeskundige P.M.J. Kursten heeft op basis van de aangepaste FML nader onderzoek verricht en is tot de conclusie gekomen dat appellante onverminderd in staat is de functies van meubelstikster (SBC-code 272043), telefoniste/receptioniste (SBC-code 315120) en medewerker cleanroom (SBC-code 271130) te vervullen waarmee zij een zodanig inkomen kan verdienen dat geen sprake is van een relevante mate van arbeidsongeschiktheid.

De Raad overweegt het volgende.

Zoals toegelicht ter zitting van de Raad, stelt het Uwv zich niet langer op het standpunt dat appellante per 29 maart 2004 in staat is haar eigen arbeid te verrichten. Derhalve is uitsluitend nog in geding of appellante per die datum in staat was de hiervoor genoemde functies te vervullen, die leiden tot een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%.

De Raad stelt vast dat de aangepaste FML, gedateerd 8 oktober 2007, de medische grondslag van de WAO-schatting vormt. De Raad ziet geen grond te oordelen dat het Uwv de belastbaarheid van appellante, zoals omschreven in die FML, heeft overschat.

Psychiater Tilanus is na kennisneming van de uitgebrachte medische rapporten en na onderzoek van appellante gemotiveerd tot het oordeel gekomen dat de conclusies van zenuwarts dr. Busard niet gevolgd kunnen worden. De psychiater is tot de conclusie gekomen dat de psychische draagkracht van appellante op 29 maart 2004 in lichte mate verminderd was en dat zij enigszins beperkt was in het verdelen van de aandacht over meerdere informatiebronnen, in het omgaan met conflicten, in het op intensieve, geregelde wijze samenwerken met anderen tenzij een eigen, van tevoren afgebakende deeltaak aan haar is toegewezen en dat appellante in het algemeen minder bestand was tegen aanhoudende tempodruk en het bereiken van deadlines. Appellante heeft de bevindingen en conclusies van psychiater Tilanus niet bestreden en de Raad heeft geen aanleiding gevonden om die voor onjuist te houden. De Raad stelt vast dat de door de psychiater aangegeven beperkingen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren zijn overgenomen in de FML van 8 oktober 2007. Psychiater Tilanus heeft de beantwoording van de vraag of aanleiding bestaat voor een urenbeperking overgelaten aan de verzekeringsarts. Hoewel bezwaarverzekeringsarts Tjen in de rapportage van

8 oktober 2007 zich over deze vraag niet expliciet heeft uitgelaten, heeft hij kennelijk geen aanleiding gevonden om een urenbeperking in de FML op te nemen. De vraag of dit terecht is, kan naar het oordeel van de Raad in het midden blijven omdat een eventuele urenbeperking niet tot een andere uitkomst zal leiden gelet op de omvang van de maatgevende arbeid van appellante van 12,5 uur per week.

Voorts is de Raad van oordeel dat bezwaararbeidsdeskundige Kursten in de rapportage van 15 oktober 2007 naar behoren heeft gemotiveerd dat de functies van meubelstikker, telefoniste/receptioniste en medewerker cleanroom in overeenstemming zijn met de beperkingen die in de FML van 8 oktober 2007 zijn opgenomen en dat per 29 maart 2004 sprake was van een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%.

De Raad is van oordeel dat het bestreden besluit niet van een deugdelijke motivering is voorzien en om die reden niet in stand kan blijven. Dit leidt ertoe dat het bestreden besluit alsmede de aangevallen uitspraak, waarbij het tegen bedoeld besluit ingesteld beroep ongegrond is verklaard, voor vernietiging in aanmerking komen. Gezien het vorenstaande ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

De Raad acht termen aanwezig om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg, op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep en op € 83,-- aan reiskosten in hoger beroep.

Ook de kosten van het rapport van de door appellante geraadpleegde zenuwarts Busard, ten bedrage van € 950,--, komen voor vergoeding in aanmerking.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 2.321,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 140,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C.M. van Laar en

J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) E.M. de Bree.

JL