Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC3274

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-01-2008
Datum publicatie
01-02-2008
Zaaknummer
07-1159 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is WW-uitkering terecht blijvend geheel geweigerd op de grond dat betrokkene had kunnen weten dat zijn gedrag tot ontslag zou leiden?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1159 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 10 januari 2007, 06/3477 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 januari 2008.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.M. Lie-van der Aa, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2007. Appellant is - met bericht - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.G. Lavrijsen, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Appellant is op 15 augustus 2005 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot 11 februari 2006 in dienst getreden als call-center medewerker bij [werkgever] te [vestigingsplaats] (hierna: de werkgever). Bij brief van 13 oktober 2005 heeft de werkgever aan appellant schriftelijk bevestigd hetgeen die ochtend met hem is besproken, te weten dat aan appellant een vierde waarschuwing is gegeven voor het niet tijdig melden van afwezigheid en dat deze waarschuwing moet worden opgevat als een officiële laatste waarschuwing. Appellant heeft deze brief voor ontvangst getekend. Appellant is door de werkgever op 11 november 2005 op non-actief gesteld. De werkgever heeft bij brief van 17 januari 2006 aan appellant meegedeeld dat de arbeidsovereenkomst niet zal worden verlengd. Appellant heeft een WW-uitkering aangevraagd.

3. Bij besluit van 24 maart 2006 heeft het Uwv appellant ervan in kennis gesteld dat zijn WW-uitkering met ingang van 13 februari 2006 blijvend geheel wordt geweigerd op de grond dat hij had kunnen weten dat zijn gedrag tot ontslag zou leiden.

4. Bij besluit van 26 juni 2006 heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.

5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat op grond van de gedingstukken voldoende aannemelijk is geworden dat het niet verlengen van het contract voornamelijk het gevolg was van het niet of niet tijdig melden door appellant van zijn afwezigheid en het komen en gaan naar eigen believen alsmede van de door appellant geuite bedreigingen aan het adres van de directie. Naar het oordeel van de rechtbank is het voldoende aannemelijk dat appellant reeds meerdere keren was gewaarschuwd voor het niet tijdig melden van afwezigheid. Indien appellant het niet eens was met de brief van 13 oktober 2005, dan had het op zijn weg gelegen om dat zo spoedig mogelijk aan de werkgever kenbaar te maken. Nu appellant dat heeft nagelaten en ook overigens geen tegenbewijs heeft geleverd, dient van de juistheid van die brief te worden uitgegaan. Overigens heeft appellant in bezwaar erkend dat hij regelmatig, buiten ziekte, afwezig was op het werk en dat hij wel eens eerder weg moest in verband met een bezoek aan de dokter. Voorts is de rechtbank van oordeel dat, hoewel appellant heeft betwist dat hij bedreigingen heeft geuit jegens de directie, meer waarde moet worden toegekend aan de verklaringen van de heer Vierveijzer die worden ondersteund door de verklaringen van twee werknemers. Naar het oordeel van de rechtbank valt niet in te zien waarom deze medewerkers een onjuiste verklaring zouden afleggen. Ook in de dreigende toonzetting van de brief van 3 januari 2006, die door appellant is geschreven, ziet de rechtbank een bevestiging dat appellant wel degelijk dreigementen heeft geuit aan het adres van zijn werkgever. Bovendien is het voldoende aannemelijk dat voor appellant bij de werkgever voldoende werk aanwezig was en dat zijn dienstverband zou zijn voortgezet indien hij zich niet verwijtbaar zou hebben gedragen. De grieven van appellant, inhoudende dat op het werk sprake was van discriminatie en pesterijen, slagen naar het oordeel van de rechtbank niet omdat deze niet afdoen aan de verwijtbaarheid en ernst van de gedragingen van appellant. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat het onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest. De rechtbank is tot de slotsom gekomen dat het niet nakomen van de verplichting die appellant op grond van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten derde, van de WW is opgelegd, appellant in overwegende mate kan worden verweten.

6. In hoger beroep hebben partijen hun standpunten herhaald.

7. De Raad overweegt als volgt.

7.1. In geding is de vraag of de rechtbank moet worden gevolgd in haar oordeel dat het Uwv de WW-uitkering terecht blijvend geheel heeft geweigerd op de grond dat appellant door eigen toedoen geen passende arbeid heeft behouden als bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten derde, van de WW.

7.2. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en stelt zich achter de overwegingen van de aangevallen uitspraak en maakt deze tot de zijne. Hetgeen door appellant in hoger beroep is aangevoerd bevat, in vergelijking met wat in eerste aanleg naar voren is gebracht, geen wezenlijk nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen.

7.3. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is de Raad van oordeel dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.R.S. Bacon als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2008.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) M.R.S. Bacon.

BvW