Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC3273

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-01-2008
Datum publicatie
01-02-2008
Zaaknummer
06-4527 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging WW-uitkering. Gelet op de omvang van het WW-uitkeringsrecht resteren geen uren waarover appellant als werkloos kan worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4527 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 23 juni 2006, 05/2647 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 januari 2008.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I. Wudka, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 27 februari 2007 heeft het Uwv gereageerd op een vraagstelling van de Raad.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2007. Appellant is niet verschenen. Het Uwv, vanwege de Raad opgeroepen om te verschijnen, heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Knufman, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Het onderzoek ter zitting is geschorst. Bij brieven van 14 augustus 2007 en 27 september 2007 heeft het Uwv een nader standpunt ingenomen. Daarop heeft appellant gereageerd.

Desgevraagd hebben partijen toestemming verleend verder onderzoek ter zitting achterwege te laten.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2.1. Aan appellant is bij besluit van 16 augustus 2004 met ingang van 1 september 2003 WW-uitkering toegekend, gebaseerd op een verlies van arbeidsuren van 6 uur en 12 minuten per week. Bij besluit van 11 augustus 2005 heeft het Uwv de WW-uitkering van appellant met ingang van 13 juni 2005 beëindigd wegens werkhervatting op 14 juni 2005. Blijkens de gedingstukken is er sprake van twee contracten als reisleider in dienst van [werkgever] te [vestigingsplaats], betreffende de perioden van 14 juni 2005 tot en met 23 juni 2005 en van 1 juli 2005 tot 16 juli 2005. De werkzaamheden werden verricht in Frankrijk, telkens gedurende 7 uur per dag. De WW-uitkering is met ingang van 18 juli 2005 voortgezet.

2.2. Bij het op bezwaar gegeven besluit van 22 september 2005, het bestreden besluit, heeft het Uwv zijn standpunt gehandhaafd. Overwogen is dat appellant blijkens zijn opgave in week 24 42 uur, in week 25 28 uur, in week 26 21 uur en in week 27 49 uur heeft gewerkt. Gelet op de omvang van het WW-uitkeringsrecht resteren geen uren waarover appellant als werkloos kan worden aangemerkt.

3. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. Zij is in de eerste plaats van oordeel dat het Uwv terecht is uitgegaan van het bij het besluit van 16 augustus 2004 vastgestelde gemiddeld aantal arbeidsuren van 6 uur en 12 minuten. Nu in genoemde weken geen arbeidsurenverlies resteerde, heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank ook terecht vastgesteld dat de WW-uitkering van appellant op grond van artikel 20, eerste lid, aanhef en onder b, in verbinding met het derde lid, aanhef en onder a, van de WW is geëindigd.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Blijkens zijn brief van 27 september 2007 is het Uwv inmiddels van mening dat het bestreden besluit op een onjuiste grondslag berust. Appellant was met zijn indiensttreding bij een Franse onderneming en het gaan verrichten van werkzaamheden in Frankrijk geen werknemer als bedoeld in de artikelen 3 en 3a van de WW meer. Als beëindigingsgrond kan derhalve niet artikel 20, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW dienen. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking, evenals de aangevallen uitspraak.

4.2. Na het verhandelde ter zitting, waar ook de eventuele toepassing van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder f, van de WW aan de orde is geweest, is thans ook duidelijk geworden dat het Uwv zich op het standpunt stelt dat het recht op WW-uitkering van appellant is geëindigd doordat hij op 14 juni 2004 niet-verzekeringsplichtige werkzaamheden is gaan verrichten en daardoor het werknemerschap heeft verloren. Voor de grondslag van die beëindiging dient derhalve gelet te worden op artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW. Die grondslag acht de Raad in het geval van appellant van toepassing. Gelet op de omvang van de niet-verzekeringsplichtige werkzaamheden als reisleider is het recht op uitkering van appellant, waarbij het Uwv terecht is uitgegaan van het eerder vastgestelde gemiddeld aantal arbeidsuren van 6 uur en 12 minuten, gelet op artikel 20, tweede lid, van de WW geheel geëindigd. Op grond hiervan is de Raad van oordeel dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand kunnen blijven.

4.3. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv te veroordelen in de kosten van appellant wegens verleende rechtsbijstand, begroot op € 344,-- in beroep en op € 344,-- in hoger beroep, totaal derhalve € 688,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant, begroot op € 688,--, te voldoen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ad € 142,-- (€ 37,-- + € 105,--) aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en C.P.J. Goorden en L.J.A. Damen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.R.S. Bacon als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2008.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) M.R.S. Bacon.

BvW