Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC3266

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-01-2008
Datum publicatie
01-02-2008
Zaaknummer
06-527 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schatting WAO. Juistheid belastbaarheid. Geschiktheid geduide functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/527 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 13 december 2005, 05/241 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 14 december 2007. Beide partijen zijn, zoals tevoren was aangekondigd, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 26 oktober 2004 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 22 december 2004 verlaagd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

Bij besluit van 25 januari 2005 heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen dit besluit gegrond verklaard, dit besluit (het bestreden besluit) vernietigd en bepaald dat het Uwv het griffierecht aan appellante dient te vergoeden. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv te laat, namelijk eerst in de beroepfase, een nadere toelichting heeft gegeven omtrent de geschiktheid van de geduide functies. De rechtbank heeft deze toelichting wel voldoende geacht. Aangezien haar voorts niet was gebleken dat appellante op de datum in geding meer functionele beperkingen had dan is aangenomen en zij de geduide functies geschikt achtte voor appellante, heeft de rechtbank overwogen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geheel in stand zullen worden gelaten.

Het hoger beroep van appellante richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat niet is gebleken dat zij op de datum in geding meer functionele beperkingen had dan door het Uwv is aangenomen. Appellante plaatst vraagtekens bij de medische grondslag van het bestreden besluit in verband met de psychische aandoening waaraan zij lijdt.

De Raad is van oordeel dat de rechtbank zich op grond van de aan haar ter beschikking staande gegevens terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante op de datum in geding, gelet op haar medische aandoening, in staat was de haar door de arbeidsdeskundige voorgehouden functies te vervullen. De Raad onderschrijft ook de overwegingen in de aangevallen uitspraak. Daartoe neemt hij in aanmerking dat de verzekeringsarts Wekker diverse beperkingen heeft aangenomen wat betreft het persoonlijk en sociaal functioneren van appellante, dat zij tevens heeft aanvaard dat appellante niet meer dan gemiddeld ongeveer vier uur per dag kan werken en dat zij tot deze bevindingen is gekomen na eigen onderzoek alsook het inwinnen van inlichtingen bij de psychotherapeute bij wie appellante onder behandeling was. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts Egbers op basis van het medisch dossier en het horen van appellante tijdens de - door hem bijgewoonde - hoorzitting adequaat gemotiveerd waarom ook hij tot de conclusie komt dat de belastbaarheid op juiste en zorgvuldige wijze is vastgesteld alsook waarom deze tot een verlaging van de mate van arbeids-ongeschiktheid dient te leiden. In beroep en in hoger beroep heeft appellante de vraagtekens die zij daarbij plaatst niet onderbouwd.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. De Raad merkt hierbij nog op dat daarbij is nagelaten te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Nu echter uit de overwegingen van de rechtbank helder naar voren komt dat dit de bedoeling van de rechtbank is geweest, en hierover kennelijk bij partijen geen misverstand bestaat, leest de Raad de aangevallen uitspraak aldus, dat de rechtbank tevens heeft beslist de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand te laten.

Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en A.T. de Kwaasteniet als leden. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2008.

(get.) M. Lochs.

(get.) J.W. Schuttel.

HS