Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC3237

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-02-2008
Datum publicatie
01-02-2008
Zaaknummer
06-2150 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schatting WAO. Het begrip bijzondere belasting in het CBBS.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2008/52
USZ 2008/62 met annotatie van Mr. P.S. Fluit
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2150 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 maart 2006, 04/6309 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene]

en

appellant.

Datum uitspraak: 1 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. J.J. Baltus, advocaat te Landgraaf, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, ten dele gevoegd met een aantal andere zaken, plaatsgevonden op 23 november 2007. Namens appellant zijn verschenen mr. E.J.S. van Daatselaar, senior beleidsmedewerker/jurist, H.A.M. Hulshof, senior bezwaararbeidsdeskundige, W.C. Otto, verzekeringsarts/beleidsmedewerker en D. Vermeulen, arbeidsdeskundige-analist. Betrokkene is met voorafgaand bericht niet verschenen.

Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst en wordt in iedere zaak afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

Betrokkene is medio 1997 wegens hartklachten uitgevallen voor zijn in een voltijdse omvang verrichte werkzaamheden als bedrijfsleider. De hem per het einde van de wettelijke wachttijd toegekende uitkering ingevolge de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, is bij besluit van 28 juli 2004 met ingang van 3 februari 2005 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.

Blijkens de daaraan ten grondslag liggende verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige gegevens, berust dat besluit op een beoordeling volgens welke betrokkene in een maximum omvang van ongeveer 4 uur per dag en 20 uur per week nog verschillende functies kan vervullen. De aan die functies te ontlenen verdiencapaciteit leidt in vergelijking met het maatgevende inkomen van betrokkene tot een verlies aan verdiencapaciteit, overeenkomend met indeling in evenvermelde klasse.

In bezwaar tegen het besluit van 28 juli 2004 heeft betrokkene in het bijzonder grieven van medische aard naar voren gebracht. Hij acht zich als gevolg van zijn gezondheidsproblemen, met name de uit zijn cardiale problematiek voortvloeiende vermoeidheidsklachten, niet in staat tot een arbeidsverrichting van 4 uur per dag.

De bezwaarverzekeringsarts heeft geen aanleiding gezien om af te wijken van het oordeel van de primaire verzekeringsarts. Bij besluit van 8 november 2004, hierna: het bestreden besluit, is het bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard.

In beroep heeft betrokkene zijn bezwaren gehandhaafd.

Oordeel van de rechtbank inzake de medische grondslag van het bestreden besluit

De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat appellant bij het nemen van het bestreden besluit van onjuiste medische beperkingen is uitgegaan. De rechtbank heeft in dit verband onder meer overwogen dat de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts bij vaststelling van de beperkingen van betrokkene zijn afgegaan op eigen onderzoeksbevindingen alsmede op informatie van de Spaanse controle-arts, verbonden aan de INSS (Instituto Nacional de la Seguridad Social). De bezwaarverzekeringsarts heeft in aanmerking genomen dat een urenbeperking van 4 uur per dag/20 uur per week bij een stabiel hartlijden een gebruikelijke beperking is. Door betrokkene zijn geen medische stukken in het geding gebracht, aldus de rechtbank, die aanleiding zouden kunnen geven om verdergaande beperkingen aan te nemen. Het inwinnen van een medisch deskundigenadvies heeft de rechtbank dan ook niet noodzakelijk geacht.

Oordeel van de rechtbank inzake de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit

Met betrekking tot de arbeidskundige aspecten van de schatting heeft de rechtbank in de eerste plaats overwogen dat de bezwaararbeidsdeskundige in beroep een nadere motivering heeft gegeven inzake de passendheid van de functies in medisch opzicht. De rechtbank is van oordeel dat met deze rapportage van 27 april 2005 de geschiktheid van de functies voldoende is toegelicht, met uitzondering evenwel van die beoordelingspunten waarvoor betrokkene in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) tot de normaalwaarde belastbaar wordt geacht en waarvoor op het overeenkomende punt in de functiebelasting een bijzondere belasting bestaat.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet dan wel onvoldoende kenbaar of deze belasting een overschrijding van de belastbaarheid van betrokkene inhoudt.

De rechtbank heeft in dit kader, daarbij betrokkene als eiser aanduidend, onder meer als volgt overwogen:

“Het betreft items waarvoor betrokkene niet beperkt wordt geacht en waarvoor evenmin een toelichting is gegeven. Betrokkene wordt voor deze items in elk geval tot de normaalwaarde belastbaar geacht. Zoals de CRvB in zijn hiervoor genoemde uitspraken over het CBBS heeft overwogen, beogen die normaalwaarden het niveau van functioneren aan te geven waartoe een gezond persoon van 15 tot 65 jaar (de beroepsbevolking) minimaal in staat is en waarbij telkens is gekozen voor een normaalwaarde die overeenkomt met de eisen van het dagelijks leven. In een aantal functiebeschrijvingen wordt bij sommige beoordelingspunten melding gemaakt van “bijzondere belasting”, met daarachter een toelichting. De rechtbank begrijpt dit zo dat de belasting in een functie op dat punt zwaarder kan zijn dan de normaalwaarde. In de geautomatiseerde vergelijking wordt bij deze punten geen markering gegeven.

In het licht van de door de CRvB in de uitspraken van 9 november 2004 geuite bedenkingen over de inzichtelijkheid, verifieerbaarheid en toetsbaarheid van het CBBS en gegeven de daaraan gekoppelde hoge(re) eisen die moeten worden gesteld aan verslaglegging en motivering van de aan schattingsbesluiten ten grondslag gelegde arbeidskundige uitgangspunten, zal, om besluiten als het onderhavige de rechterlijke toets te kunnen laten doorstaan, naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval inzichtelijk moeten worden gemaakt:

- voor welke beoordelingspunten de bijzondere belasting een overschrijding inhoudt;

- waarom de arbeidsdeskundige tot de conclusie is gekomen dat, ondanks die overschrijding van de normaalwaarde(n), de belastbaarheid van de betrokken verzekerde toch niet wordt overschreden, dan wel dat, en om welke reden een zodanige overschrijding acceptabel wordt geacht;

- in het geval dat de arbeidsdeskundige de overschrijding van de belastbaarheid acceptabel acht: of overleg met de verzekeringsarts noodzakelijk wordt geacht en zo nee, waarom niet, waarbij de rechtbank in het midden laat of, en in welke gevallen overleg met de verzekeringsarts noodzakelijk is.

De rechtbank hecht eraan te benadrukken dat waar het gaat om een overschrijding van de normaalwaarde de enkele opmerking dat eiser op dit punt geen beperkingen heeft niet zonder meer volstaat. De verzekeringsarts neemt immers eerst dan een beperking in de FML op wanneer eiser op het desbetreffende punt niet in staat is tot de minimumbelasting die geldt voor iemand in de leeftijd van 15 tot 65 jaar. Dat eiser in staat is tot deze minimumbelasting wil echter niet automatisch zeggen dat hij ook een zwaardere belasting aankan.”

Ten slotte heeft de rechtbank vastgesteld dat betrokkene ten aanzien van de aspecten koude en trillingsbelasting weliswaar niet beperkt is geacht, maar tevens dat in de toelichting in de FML bij deze beide punten wel een toelichting is gegeven door de verzekeringsarts. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dit dat betrokkene op deze punten wel beperkt is en deze punten derhalve nadere toelichting behoeven.

De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), met aanvullende beslissingen inzake vergoeding van proceskosten en griffierecht. In de overwegingen van de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank aangegeven dat appellant een nieuw besluit dient te nemen op het bezwaar van betrokkene.

Appellant is in hoger beroep opgekomen tegen het hiervoor weergegeven oordeel van de rechtbank met betrekking tot bijzondere belastingen. Volgens appellant is de passendheid van de bij de schatting in aanmerking genomen functies toereikend gemotiveerd.

Oordeel van de Raad inzake het begrip bijzondere belasting

In zijn uitspraken van 12 oktober 2006 (LJN AY9971, 9973, 9974, 9976 en 9980) heeft de Raad, voor zover hier van belang, blijk gegeven van het oordeel dat met de door appellant na de eerdere uitspraken van de Raad van 9 november 2004 (LJN AR4716, AR4717, AR4718, AR4719, AR4721 en AR 4722) aan het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) aangebrachte aanpassingen in voldoende mate is tegemoet gekomen aan de kritiekpunten van de Raad.

De Raad heeft overwogen het genoegzaam aannemelijk te achten dat het aangepaste CBBS, zowel bij matchende als bij niet-matchende beoordelingspunten, mogelijke overschrijdingen in geselecteerde functies van de belastbaarheid van een verzekerde, welke zich doorgaans zullen kunnen voordoen indien hij door de verzekeringsarts beperkt wordt geacht ten opzichte van de normaalwaarde of indien in een functie een belasting wordt gevraagd die meer bedraagt dan de normaalwaarde, alle onderkent en signaleert.

De Raad heeft op grond van het volgende onvoldoende aanknopingspunten om zijn vorenomschreven oordeel niet langer juist te achten vanwege het gebruik in het CBBS van het begrip bijzondere belasting.

Appellant heeft aangegeven dat en waarom de opvatting van de rechtbank voor onjuist moet worden gehouden dat een bijzondere belasting een mogelijke overschrijding van de normaalwaarde inhoudt en dat door het CBBS in die gevallen ten onrechte geen signalering wordt afgegeven. Aan het beroepschrift van appellant, de door appellant in zijn in een van de gevoegd behandelde zaken ingezonden antwoordbrief van 6 november 2007 alsmede aan de door de gemachtigden van appellant ter zitting verstrekte nadere aanvullingen daarop, ontleent de Raad in dit verband het volgende.

Appellant benadrukt in de eerste plaats dat, anders dan de rechtbank kennelijk meent, een bijzondere belasting niet mag worden begrepen als een bijzonder zware belasting. Een bijzondere belasting heeft binnen het CBBS een specifieke - wellicht van de in het normale spraakgebruik gebruikelijke betekenis enigszins afwijkende - betekenis, als hierna nader uiteengezet, en houdt (dan ook) niet per definitie in dat de normaalwaarde of de anderszins door de verzekeringsarts aangegeven waarde met betrekking tot iemands belastbaarheid (mogelijk) wordt overschreden. En in gevallen waarin de bijzondere belasting wel zou leiden tot een overschrijding of een mogelijke overschrijding van de belastbaarheid, wordt de functie hetzij verworpen hetzij steeds met een signalering gepresenteerd.

Voor een goed begrip van de term bijzondere belasting en van de betekenis daarvan voor de belastbaarheid van een verzekerde dient onderscheid te worden aangehouden tussen zogeheten tweekeuzepunten en meerkeuzepunten.

Bij tweekeuzepunten krijgt het begrip bijzondere belasting eerst betekenis indien sprake is van een beperking bij een betrokkene op het betreffende aspect: pas in geval van een beperking wordt de functie waarin op datzelfde aspect sprake is van een bijzondere belasting door het systeem automatisch verworpen of met een signalering gepresenteerd. Dat hangt samen met het feit dat deze categorie van belastingpunten - als voorbeeld is genoemd het aspect zien - zich in het algemeen hierdoor kenmerkt dat iemand op een dergelijk aspect of wel of niet beperkt is te achten, zonder dat sprake is van een verdere aanduiding in maat of getal.

Indien geen sprake is van enige beperking op het aspect zien en de betrokken verzekerde ter zake derhalve op het niveau van de normaalwaarde belastbaar wordt geacht, zal een functie met een bijzondere belasting op dat aspect doorgaans niet tot een overschrijding van de belastbaarheid kunnen leiden, in verband waarmee die functie zonder meer als geschikt zal worden gepresenteerd.

Daarbij dient in het oog te worden gehouden dat het begrip bijzondere belasting hier de betekenis heeft van een bij een functie behorende specifieke belasting, een belasting die karakteristiek is voor de functie in kwestie en essentieel voor het uitvoeren ervan. Met betrekking tot het aspect zien, is als voorbeeld gegeven: het moeten werken met een loep.

Indien iemand op een tweekeuzepunt wel beperkt wordt geacht, zal - als hiervoor reeds vermeld - een functie met een bijzondere belasting op datzelfde aspect, indien niet reeds door het systeem verworpen, altijd van een signalering worden voorzien. Als derhalve iemand beperkt wordt geacht voor wat betreft zien, zal een functie waarin moet worden gewerkt met een loep op het resultaat eindselectie steeds een signalering verschijnen.

Appellant heeft nog aangegeven dat ter voorkoming van (verdere) verwarring de term bijzondere belasting in deze context inmiddels niet meer wordt gebruikt en - vanaf 19 april 2007 - is vervangen door het begrip “kenmerkende belasting”, een term die meer aansluit bij het normale spraakgebruik en aldus de lading beter dekt.

Bij meerkeuzepunten heeft het begrip bijzondere belasting een iets andere betekenis. Waar bij tweekeuzepunten in het algemeen het enkele feit dat een bepaalde karakteristieke belasting in de functie voorkomt, reeds leidt tot vermelding in de functiebelastinggegevens van een bijzondere (thans: kenmerkende) belasting, geldt bij meerkeuzepunten dat er een zekere waardering aan de bijzondere belasting wordt toegevoegd. Anders dan bij tweekeuzepunten is er sprake van een zekere relatie met een op de FML bij het betreffende belastbaarheidsaspect opgegeven waarde. Het gaat om belastingsaspecten die meer dan incidenteel in een functie voorkomen.

Als voorbeeld van een dergelijk meerkeuzepunt waarbij sprake is van meer dan twee keuzemogelijkheden, heeft appellant genoemd het aspect “omgaan met conflicten”. Iemand kan op dat punt in het geheel niet beperkt zijn, of (slechts) beperkt in rechtstreeks contact met andere mensen, dan wel (ook) beperkt in het telefonisch of schriftelijk omgaan met conflicten. Afhankelijk van de vraag of zich in een functie op dit punt een belasting voordoet en zo ja, afhankelijk van de vraag om welk type belasting het gaat (rechtstreekse contacten dan wel telefonische en/of schriftelijke contacten), zal de functie zonder meer worden geaccepteerd, met een signalering worden gepresenteerd, dan wel worden verworpen. De gradering van de belasting in de functie volgt aldus exact de gradering van de belastbaarheid op de FML.

Tot slot verdient vermelding dat er naast de eerder vermelde categorie tweekeuzepunten ook tweekeuzepunten zijn waarbij, gelijk bij meerkeuzepunten, sprake is van een nadere aanduiding in maat of getal. Voor dergelijke tweekeuzepunten geldt hetzelfde als voor meerkeuzepunten: indien een bijzondere belasting mogelijkerwijs zou kunnen leiden tot overschrijding van de normaalwaarde dan wel van de op de FML ingevulde waarde, zal dat zichtbaar worden door een signalering.

Mede in het licht van de vorenomschreven uiteenzetting, staat voor de Raad genoegzaam vast dat in gevallen waarin iemand beperkt wordt geacht op een bepaald aspect, het zich voordoen van een bijzondere belasting in een functie op datzelfde aspect ertoe leidt dat die functie, zo deze niet automatisch door het systeem is verworpen, op het resultaat eindselectie steeds van een signalering wordt voorzien, ten teken van een mogelijke overschrijding van de belastbaarheid van de betrokkene op het betreffende punt.

Eveneens staat genoegzaam vast dat in gevallen waarin iemand op een bepaald aspect niet beperkt wordt geacht en dus belastbaar wordt geacht op het niveau van de normaalwaarde, het zich voordoen in een functie van een bijzondere belasting op datzelfde aspect, mede gegeven de aan het begrip bijzondere belasting in het CBBS toegekende specifieke betekenis, in het algemeen en anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, niet betekent dat sprake is van een mogelijke, ten onrechte niet gesignaleerde, overschrijding van de belastbaarheid van de betrokken verzekerde, zijnde de normaalwaarde.

Aldus kan de rechtbank niet worden gevolgd in haar zienswijze dat het CBBS vanwege het aspect bijzondere belastingen - nog steeds - mank gaat aan een structurele onvolkomenheid. Eveneens ten onrechte heeft de rechtbank derhalve geoordeeld dat om die reden het bestreden besluit niet geacht kan worden zorgvuldig te zijn tot stand gekomen en deugdelijk te zijn gemotiveerd.

De Raad hecht er tot slot nog wel aan te benadrukken dat, naar hij vaker heeft overwogen, voor ogen dient te worden gehouden dat het CBBS in de hier aan de orde zijnde externe functie van dat systeem (niet meer dan) een hulpmiddel is om een schattingsbesluit wat betreft de medische en arbeidskundige uitgangspunten voldoende inzichtelijk te maken en te motiveren ten behoeve van derden. Het is de arbeidsdeskundige die er steeds op dient toe te zien dat in een voorliggend geval de arbeidskundige grondslag van het betreffende besluit daadwerkelijk van een toereikende en inzichtelijke motivering is voorzien. In voorkomende gevallen kan dat betekenen dat de arbeidsdeskundige, zo nodig na voorafgaand overleg met de verzekeringsarts, (ook met betrekking tot een aspect dat wordt aangeduid als een bijzondere belasting of een kenmerkende belasting) zorg dient te dragen voor een nadere afzonderlijke toelichting inzake de passendheid van de bij een schatting gebruikte functies.

Oordeel van de Raad met betrekking tot het bestreden besluit

De Raad overweegt in de eerste plaats dat hij geen aanknopingspunten heeft om de rechtbank niet te volgen in haar oordeel omtrent de medische grondslag van het bestreden besluit. De Raad maakt de overwegingen en het daarop gebaseerde oordeel van de rechtbank tot de zijne. Van de zijde van betrokkene zijn (ook) in hoger beroep geen medische gegevens ingebracht die aanleiding zouden kunnen geven tot twijfel aan de juistheid van de door de verzekeringsartsen van appellant in aanmerking genomen medische beperkingen. Dat geldt ook voor de omvang per dag en per week waartoe betrokkene in staat wordt geacht aan het arbeidsproces deel te nemen.

Voorts acht de Raad de passendheid van de functies genoegzaam toegelicht. Naast hetgeen hiervoor is overwogen en geoordeeld inzake het begrip bijzondere belasting, overweegt de Raad in dit verband naar aanleiding van hetgeen de rechtbank heeft overwogen dat hij appellant volgt in zijn standpunt dat in geen van de bij de onderhavige schatting gebruikte functies sprake is van enige relevant te achten belasting bestaande uit koude, en dat voorts die functies ook geen belasting kennen ter zake van grove trillingen, in verband waarmee de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de functies op deze punten nog een nadere toelichting behoeven.

Echter, nu een deugdelijke toelichting met betrekking tot de passendheid van de functies eerst in de fase van het beroep is gegeven met het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 27 april 2005, bestaat aanleiding de door de rechtbank uitgesproken vernietiging van het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb in stand te laten, zij het met de bepaling dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

Er zijn geen termen voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarin aan appellant de opdracht is gegeven tot het nemen van een nieuw besluit op het bezwaar van betrokkene;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en R.C. Stam als leden. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van S. Sweep als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2008.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) S. Sweep.

JL