Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC3135

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-01-2008
Datum publicatie
01-02-2008
Zaaknummer
06-4696 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering. Schending inlichtingenverplichting. Gezamenlijke huishouding.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Algemene wet bestuursrecht 7:12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2008/72
JWWB 2008, 74
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4696 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 6 juli 2006, 05/7018 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Alkemade (hierna: College)

Datum uitspraak: 22 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.A. Beekman, advocaat te Leiden, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Beekman. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellante ontving sedert mei 1984 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

Naar aanleiding van een tip dat appellante op haar adres samenwoont met een man, heeft het College door de Sociale Recherche Zuid-Holland Noord (hierna: sociale recherche) een onderzoek laten instellen naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader zijn onder meer appellante en [K.] (hierna: [K.]) gehoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 23 juni 2005. De resultaten van het onderzoek zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 21 juli 2005 de bijstand met ingang van 20 juni 2005 te beëindigen (lees: in te trekken).

Bij besluit van 21 september 2005 heeft het College de bezwaren tegen het besluit van 21 juli 2005 ongegrond verklaard. Daaraan is onder meer ten grondslag gelegd dat appellante, zonder daarvan aan het College melding te maken, vanaf 1 juli 2003 in haar woning een gezamenlijke huishouding voert met [K.].

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 21 september 2005 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Vooraf

Met ingang van 1 januari 2004 is de Wet werk en bijstand (WWB) in werking getreden en is de Algemene bijstandswet (Abw) ingetrokken. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 21 april 2005 (LJN AT4358) stelt de Raad vast dat het College vanaf 1 januari 2004 aan de artikelen 54 en 58 van de WWB zijn bevoegdheid ontleent om tot herziening of intrekking van bijstand en tot terugvordering van gemaakte kosten van bijstand over te gaan en dat de rechten en verplichtingen van een belanghebbende dienen te worden beoordeeld naar de wetgeving zoals die van kracht was op de datum of gedurende het tijdvak waarop die rechten en verplichtingen betrekking hebben. Uit hetgeen hiervoor met betrekking tot het toepasselijke recht is overwogen volgt dat het College bij de onderhavige besluitvorming ten onrechte de artikelen van de Abw heeft gehanteerd. Nu de rechtbank dit weliswaar heeft onderkend maar daaraan ten onrechte geen consequenties heeft verbonden, komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. De Raad zal, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep gegrond verklaren en het besluit van 21 september 2005 vernietigen omdat het op een onjuiste bevoegdheidsgrondslag berust.

Vervolgens zal de Raad bezien of er aanleiding is de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten.

Formele aspecten

Appellante heeft enkele formele grieven aangevoerd. Zij stelt dat het primaire besluit onbevoegd is genomen vanwege een gebrek in de mandatering. De Raad gaat aan deze grief voorbij reeds omdat in ieder geval het besluit op bezwaar van 21 september 2005 door het bevoegde bestuursorgaan is genomen. Verder stelt appellante dat zij gelet op artikel 4:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorafgaand aan het primaire besluit had moeten worden gehoord. Ook deze grief slaagt niet omdat, zoals hierna zal blijken, de Raad met het College van oordeel is dat appellante niet heeft voldaan aan de op haar rustende inlichtingenverplichting zodat de uitzondering van artikel 4:8, tweede lid, van de Awb van toepassing is. Overigens stelt de Raad vast dat appellante in het kader van de bezwaarschriftenprocedure is gehoord. In dat verband heeft appellante aangevoerd dat bij dit horen de gemeenteambtenaar [D.] aanwezig is geweest, welke ambtenaar ook betrokken is geweest bij de voorbereiding van het primaire besluit. De Raad is van oordeel dat geen sprake is van horen in strijd met het bepaalde in artikel 7:5, eerste lid, van de Awb, reeds omdat, zo blijkt uit het verslag van de hoorzitting, het horen is geschied door de voorzitter van het College. Tenslotte stelt appellante dat de aangevallen uitspraak niet goed is gemotiveerd. De Raad gaat ook aan deze grief voorbij. Zoals de Raad reeds in zijn uitspraak van 7 april 1998, LJN ZB7563, heeft overwogen, vloeit uit artikel 8:69 en uit artikel 8:77 van de Awb niet voort dat de rechtbank in haar uitspraak op alle door een belanghebbende aangevoerde argumenten afzonderlijk moet ingaan. De Raad is niet tot de conclusie gekomen dat de rechtbank in haar motiveringsplicht tekort is geschoten. Ook de Raad zal zich beperken tot de kern van de door appellante naar voren gebrachte grieven.

De intrekking

De Raad stelt vast dat bij primair besluit van 21 juli 2005 de bijstand met ingang van 20 juni 2005 is ingetrokken en dat het College deze intrekking niet heeft beperkt tot een bepaalde periode en bij besluit van 21 december 2005 deze intrekking per 20 juni 2005 onverkort heeft gehandhaafd. Volgens vaste rechtspraak van de Raad - zie onder meer de uitspraak van 18 juli 2006, LJN AY5142 - bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Dit betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 20 juni 2005 tot en met

21 juli 2005.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB - voor zover hier van belang - wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert. Op grond van het derde lid van dat artikel is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Met de rechtbank en het College is de Raad van oordeel dat appellante en [K.] hun hoofdverblijf hadden in de woning van appellante en dat er tevens sprake was van wederzijdse zorg. Hierbij komt doorslaggevende betekenis toe aan de door hen beiden tegenover de sociale recherche op 20 juni 2005 afgelegde verklaringen. Appellante heeft onder meer verklaard dat zij sinds begin van de zomer 2003 samenwonen, dat zij de was van hen beiden doet en strijkt, dat zij en [K.] voor elkaar koken, dat zij gebruik maakt van de auto van [K.] en dat de kosten van de boodschappen worden gedeeld. De verklaring van [K.] komt in grote lijnen overeen met die van appellante. Appellante heeft terecht aangevoerd - het College heeft dat ook niet tegengesproken - dat het College bij zijn besluitvorming slechts het rapport van de sociale recherche heeft gehanteerd, en niet de processen-verbaal waarin de verklaringen van appellante en [K.] zijn opgenomen. Appellante is daardoor echter niet in haar belangen geschaad. In de eerste plaats is daarbij van belang dat de processen-verbaal in beroep en in hoger beroep deel uitmaakten van het procesdossier. Appellante heeft daarop in die fases van het geding kunnen reageren. De Raad stelt verder vast dat de in het rapport van de sociale recherche opgenomen samenvatting van deze verklaringen in overeenstemming is met de processen-verbaal, en dat de door appellante en [K.] afgelegde verklaring door haar respectievelijk hem is doorgelezen en ondertekend. De besluitvorming berust derhalve op een deugdelijke feitelijke grondslag.

Gelet op het voorgaande moet met de rechtbank en het College worden geoordeeld dat appellante ten tijde in geding een gezamenlijke huishouding voerde met [K.]. Dit betekent dat appellante in de in geding zijnde periode niet kon worden beschouwd als zelfstandig subject van bijstand en geen recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande.

Nu appellante van deze gezamenlijke huishouding geen mededeling heeft gedaan aan het College, heeft zij de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden, zodat het College met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was tot intrekking van de bijstand. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten van die bevoegdheid gebruik te maken.

De Raad ziet in het voorgaande aanleiding de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten.

Proceskosten

De Raad acht termen aanwezig om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 21 september 2005;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,-- , te betalen door de gemeente Alkemade aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente Alkemade aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 143,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en A.B.J. van der Ham en C. van Viegen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2008.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) R.E. Lysen.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

IJ