Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC3108

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-01-2008
Datum publicatie
31-01-2008
Zaaknummer
06-836 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Is voldoende rekening gehouden met de beperkingen van betrokkene?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/836 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 16 december 2005, 04/1899 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.M. de Bruin, advocaat te Amersfoort, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2007. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn voornoemde raadsvrouw. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. C. Roele.

II. OVERWEGINGEN

Voor een uitgebreid overzicht van de voor dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.

Appellant, geboren in 1963, is sinds 1981 in Nederland en heeft vervolgens enige jaren in de kipverwerkende industrie gewerkt. Hij is in 1987 uitgevallen met duizeligheids- en oorklachten en ontvangt vanaf mei 1988 een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Het Uwv heeft appellants uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO) bij besluit van 23 oktober 2003 met ingang van 20 november 2003 ingetrokken onder de overweging dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid is afgenomen naar minder dan 15%. Bij het door appellant in beroep bestreden besluit van

7 juni 2004 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen het besluit van 23 oktober 2003 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak is ook het beroep van appellant ongegrond verklaard.

Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank zijn beroep ten onrechte ongegrond heeft verklaard, dat het Uwv zijn beperkingen heeft onderschat, dat de belasting van de geduide functies voor hem te zwaar is, dat het systeem van selectie van geschikte functies onvoldoende inzichtelijk is en dat bij de intrekking van zijn uitkering ten onrechte geen uitlooptermijn van twee maanden is gehanteerd. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant in beroep brieven overgelegd van de klinisch fysicus-audioloog dr. A. Hoekstra d.d. 12 oktober 2004 en van de K.N.O.-arts

dr. E.H. van den Akker d.d. 8 april 2005. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt nader onderbouwd door het overleggen van medische informatie, waaronder een op 10 oktober 2006 aan de gemeente Woudenberg uitgebracht verslag van een medische belastbaarheidstoets door de bedrijfsarts C. Rossou en de arbeidsdeskundige S. Boekema, een verwijsbrief d.d. 26 maart 2007 van de psychiater S. Bellari, een brief d.d. 27 augustus 2007 van de psycholoog drs. M.M.T. Göertz en een zogenoemde ontslagbrief d.d. 18 september 2007 van de aan de Symforagroep verbonden psychiater A.M. van den Berg.

De Raad overweegt als volgt.

Appellant heeft vanaf 1988 een volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangen, die is ingetrokken met ingang van 20 november 2003, omdat appellant naar het oordeel van het Uwv nog in staat is om met gangbare arbeid die is berekend voor zijn arbeidsbeperkingen, nog een zodanig loon te verdienen dat zijn mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt.

Uit de gedingstukken komt naar voren dat appellant links geheel doof is, en dat rechts sprake is van hoge tonen-verlies. Verder is uit gedingstukken af te leiden dat appellant niet of nauwelijks kan lezen en schrijven, maar wel eenvoudig Nederlands kan spreken en verstaan. De verzekeringsarts O.L. Zuiderhoek heeft appellant op 4 juli 2002 en 15 mei 2003 onderzocht op zijn spreekuur en heeft aanleiding gezien de zenuwarts C.J.F. Kemperman te verzoeken appellant te onderzoeken en advies uit te brengen. Zoals blijkt uit diens rapport van 11 maart 2003 is Kemperman van oordeel dat appellant lijdt aan een angststoornis n.a.o., een gecombineerde angst- en depressieve stoornis. Kemperman heeft daarbij aangegeven dat appellant een aantal beperkingen heeft met betrekking tot het verrichten van werkzaamheden, op het vlak van de stressbelastbaarheid, het werken onder tijdsdruk, conflicthantering en conflicterende functie-eisen. Zuiderhoek heeft de door Kemperman genoemde beperkingen opgenomen in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en heeft bovendien enkele beperkingen opgenomen die samenhangen met de gehoorklachten van appellant. Naar het oordeel van Zuiderhoek en van de bezwaarverzekeringsarts A.M.M. Moons, moet appellant in staat worden geacht in voltijds verband werkzaamheden te verrichten, mits met deze arbeidsbeperkingen rekening wordt gehouden. Wel heeft Moons, zoals blijkt uit zijn rapport van 28 april 2004, de FML nog aangevuld met beperkingen die samenhangen met het door Kemperman aangegeven risico dat bij appellant milde duizeligheidsklachten kunnen optreden. Het betreft beperkingen met betrekking tot klimmen, lawaai, tocht en eisen ten aanzien van een steriele omgeving. Zoals blijkt uit zijn rapportages van 2 mei 2005, 10 april, 9 augustus en 15 november 2007, is Moons van oordeel dat de door appellant overgelegde medische informatie geen reden vormt om meer of zwaardere beperkingen voor appellant te formuleren.

De Raad deelt, alles afwegend, deze visie van de bezwaarverzekeringsarts Moons. Met betrekking tot de psychische klachten van appellant hebben de verzekeringsartsen een groot aantal beperkingen voor appellant geformuleerd en daarbij alle door de zenuwarts Kemperman in overweging gegeven beperkingen opgenomen. Weliswaar heeft de psychiater Bellari een andere diagnose gesteld dan Kemperman, nl. een zogenoemde posttraumatische stressstoornis (PTSS), maar dit brengt op zichzelf niet mee dat appellant daardoor ernstiger beperkt is dan door Kemperman is aangenomen. Daarbij komt, hoewel het de Raad op zichzelf enigszins bevreemdt dat de gegevens waar de diagnose PTSS op is gebaseerd niet door appellant bij het onderzoek door Kemperman en evenmin eerder zijn vermeld, dat in de ontslagbrief d.d. 18 september 2007 van de psychiater Van den Berg weer dezelfde diagnose wordt genoemd als door Kemperman is gesteld. Ook voor wat betreft de oorklachten en de duizeligheidsklachten is de Raad niet tot het oordeel gekomen dat de beperkingen van appellant door de verzekeringsartsen zijn onderschat. Door Zuiderhoek en Moons is nadrukkelijk rekening gehouden met de klachten van appellant. Naar het oordeel van de Raad heeft de bezwaarverzekeringsarts Moons ook op dit gebied overtuigend gemotiveerd dat de overgelegde informatie van de K.N.O.-arts Van den Akker en van de klinisch fysicus-audioloog Hoekstra geen reden vormt om andere of zwaardere beperkingen voor appellant aan te nemen. Dit leidt de Raad tot de slotsom dat met alle klachten van appellant rekening is gehouden, dat er onvoldoende aanknopingspunten bestaan voor de conclusie dat de beperkingen van appellant door het Uwv zijn onderschat en dat er geen aanleiding is om nog een deskundige te vragen nader onderzoek te verrichten.

Zoals blijkt uit de rapportages van de (bezwaar)arbeidsdeskundigen, vooral uit de in hoger beroep overgelegde rapportage d.d. 26 april 2006 van H. Janssen, wordt appellant in staat geacht om met zijn beperkingen de functies van medewerker tuinbouw (SBC code 111010), schoonmaker hotel (111332) en productiemedewerker textiel, geen kleding (272043) uit te oefenen. Naar het oordeel van de Raad is in dit rapport door Janssen overtuigend en inzichtelijk gemotiveerd dat appellant met zijn beperkingen inderdaad in staat moet worden geacht de aan die functies verbonden werkzaamheden te verrichten. Dat uit de informatie d.d. 15 oktober 2003 van het arbeidsintegratiebedrijf Alexander Calder en uit het aan de gemeente Woudenberg uitgebrachte rapport van een belastbaarheidstoets blijkt dat de kans op succes voor appellant met zijn beperkingen op de scholings- en arbeidsmarkt buitengewoon klein is, kan aan zijn geschiktheid in de zin van de WAO voor de genoemde functies niet afdoen. Het gaat erom of appellant met zijn (medische) arbeidsbeperkingen in beginsel in staat is om de aan de functies verbonden werkzaamheden te verrichten; daarbij spelen arbeidsmarktfactoren geen rol.

Het vorenoverwogene leidt de Raad tot de conclusie dat het Uwv de WAO-uitkering van appellant terecht heeft ingetrokken. De stelling van appellant dat door het Uwv daarbij een te korte uitlooptermijn is gehanteerd treft geen doel. De Raad verwijst in dit verband naar het verweerschrift van het Uwv, waarin overtuigend is onderbouwd dat van een te korte uitlooptermijn geen sprake is, wat verder door appellant niet meer is bestreden.

Wel is de Raad van oordeel dat pas door het in hoger beroep opgestelde en ingebrachte rapport van de bezwaararbeidsdeskundige Janssen de schatting van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in arbeidskundige zin voldoende is onderbouwd en inzichtelijk gemaakt. Gelet hierop zal de Raad de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit vernietigen, maar daarbij tevens bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. De Raad begroot deze kosten op € 644,- aan kosten voor rechtsbijstand in beroep en € 644,- aan kosten voor rechtsbijstand in hoger beroep en € 10,48 aan reiskosten van appellant in verband met zijn aanwezigheid bij de zitting van de Raad.

Aangezien zowel in beroep als in hoger beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient betaling van dat bedrag te geschieden aan de griffier van de Raad.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 7 juni 2004 gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 1.298,48, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, waarvan € 1.288,- aan de griffier van de Raad.

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 143,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2008.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M. Lochs.

GdJ