Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC3093

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-01-2008
Datum publicatie
31-01-2008
Zaaknummer
06-422 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De intrekking van de WAO-uitkering berust op een onvoldoende deugdelijke medische grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/422 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 12 december 2005, 05/232 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 17 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D. van der Wal, advocaat te Buitenpost, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij faxbericht van 18 mei 2006 heeft appellantes gemachtigde een brief van 10 mei 2006 van de arbeidsdeskundige F. Terveer van het Uwv ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Wal. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.J. Langius.

II. OVERWEGINGEN

Aan appellante is wegens psychische klachten per 26 juli 1999 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) verleend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 28 september 2004 heeft het Uwv deze uitkering per 29 november 2004 ingetrokken. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft het Uwv de intrekking bij het thans bestreden besluit van 21 januari 2005 gehandhaafd. Aan de door appellante in hoger beroep ingezonden brief van 10 mei 2006 van de arbeidsdeskundige F. Terveer van het Uwv valt te ontlenen dat appellante met ingang van 18 februari 2005 wederom een uitkering ingevolge de WAO wordt verleend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Ter zitting is van de zijde van partijen bevestigd dat aan deze brief metterdaad uitvoering is geven door toekenning van deze uitkering en dat daarbij een wachttijd van vier weken in acht is genomen, te rekenen vanaf 21 januari 2005, de datum dat appellante wegens psychische klachten in dagbehandeling bij de GGZ Groningen werd opgenomen. Aan deze opname is, naar aan de brief van 8 juli 2005 van de GGZ Groningen valt te ontlenen, een periode voorafgegaan, waarbij appellante suïcidale gedachten had en gedachten had om haar gezin om te brengen.

De intrekking van de WAO-uitkering per 29 november 2004 steunt op door de arts Sh. Smeding op 8 september 2004 uitgevoerd onderzoek. Deze heeft beperkingen vastgesteld in het sociaal functioneren van appellante als gevolg van de door haar ondergane geslachtsveranderende operatie en een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld. Bij dit onderzoek, zo blijkt uit haar rapport van gelijke datum, heeft deze arts aandacht besteed aan de psychische klachten van appellante en ook de vraag onder ogen gezien of bij appellante sprake was van suïcidaliteit. Daaromtrent is opgemerkt dat appellante zich weliswaar suïcidaal uit, maar dat dit overkomt als een theatrale uiting op een moment dat zij de situatie niet in de hand heeft. Met inachtneming van de in de FML opgenomen beperkingen is de arbeidsdeskundige J. Eerhart bij rapport van 24 september 2004 tot de conclusie gekomen dat appellante met voor haar geschikt te achten werkzaamheden een zodanig inkomen kan verwerven dat een verlies aan restverdiencapaciteit resteert van minder dan 15%. Daarop is bij besluit van 28 september 2004 de WAO-uitkering per 29 november 2004 ingetrokken.

In het bezwaarschrift is namens appellante aangevoerd dat zij geestelijk een wrak is. Op de daarop volgende hoorzitting van 28 oktober 2004, waar de bezwaarverzekeringarts L.J. Zwemer aanwezig was, is van de zijde van appellante gemeld dat het leven van haar niet hoeft, dat zij de hele week voor de hoorzitting in bed gebleven is en dat haar moeder het huishouden bij haar heeft gedaan. Ook is melding gemaakt van al geruime tijd bestaande contacten met een medisch maatschappelijk werker van het Academisch Ziekenhuis Groningen, dat deze haar inmiddels naar de huisarts heeft verwezen en dat haar huisarts de medicatie heeft verhoogd. Bij brief van 10 november 2004 heeft appellante een schrijven van 5 november 2004 ingezonden van haar huisarts P.L.J. Rademaker te Grijpskerk. Daarin wordt vermeld dat appellante ernstig depressief is en dat zij inmiddels al enige tijd met antidepressiva wordt behandeld waardoor de depressie langzaam verbleekt, maar dat hij haar op dit moment objectief depressief acht. Bij brief van 25 november 2004 heeft appellante bericht dat zij op een wachtlijst staat voor een operatie aan de rechter knie.

De bezwaarverzekeringsarts Zwemer heeft bij brief van 23 november 2004 (waarin het vermoeden wordt uitgesproken van een actueel psychiatrisch ziek zijn) inlichtingen ingewonnen bij de psychiater J. Pronk. Deze heeft bij brief van 16 december 2004 geantwoord appellante op verzoek van de KNO-arts Dekkers in de periode 20 oktober 2004 tot 16 november 2004 drie keer gezien te hebben in verband met haar wens van stemaanpassing en geen aanvullend onderzoek naar de stemmingsproblemen van appellante (waarvoor de huisarts sedert half september 2004 Paroxetine voorschreef en waarvoor zij inmiddels naar een psycholoog was verwezen) te hebben gedaan.

Bij rapport van 4 januari 2005 is de bezwaarverzekeringsarts Zwemer tot de conclusie gekomen dat in de laatste maanden van 2004 geen sprake was van een ernstige depressie. Daarbij is, naar aan haar rapport valt te ontlenen, doorslaggevende betekenis toegekend aan de informatie van de psychiater Pronk en de bevindingen uit het eigen onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts tijdens de hoorzitting op 28 oktober 2004. Bovendien acht de bezwaarverzekeringsarts in dit verband van belang dat de klachten van appellante reactief zijn, dit wil zeggen voortkomend uit nieuwe teleurstellingen, onder andere het niet langer krijgen van WAO-uitkering en het afraden door de psychiater Pronk van een stembandoperatie. Appellante is, aldus de bezwaarverzekeringsarts, kennelijk gewend zich op zulke momenten uit haar verantwoordelijkheden terug te trekken, maar dat is (grotendeels) gedrag, mede op basis van haar karaktereigenschappen, waarmee niet of nauwelijks rekening kan worden gehouden. Na herbeoordeling en vervallenverklaring wegens de daarin geldende macho-cultuur van een aantal door de arbeidsdeskundige geschikt geachte functies, heeft de bezwaararbeidsdeskundige J. Langius bij rapport van 18 januari 2005 op basis van de resterende geschikt geachte functies de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante berekend op 0%. Daarop is het bestreden besluit genomen.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak als haar oordeel gegeven dat de bezwaarverzekeringsarts Zwemer in haar in beroep ingezonden rapport van 15 juli 2005 voldoende gemotiveerd heeft aangegeven dat aan het in de aanhef van deze rubriek vermelde rapport van 8 juli 2005 van de GGZ geen ander beeld naar voren komt dan waarvan de (bezwaar)verzekeringsarts is uitgegaan. Ook de arbeidskundige grondslag van de schatting heeft de rechtbank aanvaard.

De Raad is van oordeel dat sprake is van een zodanige twijfel aan de medische situatie van appellante ten tijde hier in geding dat het oordeel van de (bezwaar)verzekeringsarts niet gevolgd kan worden. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de huisarts op 5 november 2004 onomwonden spreekt van een ernstige depressie waarvoor hij medicatie heeft voorgeschreven. Ook is sprake van een verwijzing naar een psycholoog. Het belang dat de bezwaarverzekeringsarts Zwemer hecht aan de inlichtingen van de psychiater Pronk acht de Raad in die zin niet overtuigend dat deze psychiater expliciet vermeldt naar de stemmingswisselingen van appellante geen aanvullend onderzoek te hebben gedaan. Met betrekking tot de eigen observaties van de bezwaarverzekeringsarts op de hoorzitting merkt de Raad op dat in die context geen sprake is van een volwaardig medisch onderzoek en dat die observaties niet zonder meer dragend kunnen zijn voor de medische oordeelsvorming. In dit verband acht de Raad ook niet zonder belang dat kennelijk sprake is geweest van een in de tijd verslechterende medische situatie die uiteindelijk heeft geleid tot de opname op 21 januari 2005. Ten slotte acht de Raad de bij rapport van 15 juli 2005 door de bezwaarverzekeringsarts getrokken conclusie dat de berichtgeving van 8 juli 2005 van de GGZ volledig het beeld bevestigt dat zij zelf heeft van appellantes problematiek per 29 november 2004 onbegrijpelijk bij het licht van de omstandigheid dat die berichtgeving mede ten grondslag heeft gelegen aan de per 18 februari 2005 gedane heropening van appellantes WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en dat deze uitkering, naar ter zitting is gebleken, onveranderd tot op heden wordt voortgezet.

Aldus komt de Raad tot het oordeel dat de intrekking van de WAO-uitkering van appellante per 29 november 2004 op een onvoldoende deugdelijke medische grondslag rust. Het bestreden besluit waarbij de intrekking van de uitkering is gehandhaafd en de aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten, komen voor vernietiging in aanmerking. Het Uwv zal een nieuw besluit dienen te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Verstaat dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op het bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot

€ 1288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 140,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2008.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.

JL