Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC3086

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-01-2008
Datum publicatie
31-01-2008
Zaaknummer
06-985 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schatting WAO. Heeft het Uwv bij het vaststellen van de restverdiencapaciteit terecht geen rekening gehouden met regionale inkomensverschillen en is het juist om het inkomen als selectiecriterium in te voeren bij het zoeken naar geschikte functies?

Wetsverwijzingen
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/985 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 3 januari 2006, 05/1715 (hierna: de aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).

Datum uitspraak: 25 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft de heer A.J.M. van Boxtel hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2007. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door gemachtigde voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J.C. Röttjers.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 21 oktober 2004 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk sinds 1 september 1994 werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, met ingang van 22 december 2004 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was.

De rechtbank heeft het namens appellante ingestelde beroep tegen de beslissing op bezwaar van 5 april 2005 (hierna: het bestreden besluit) waarbij het besluit van 21 oktober 2004 werd gehandhaafd, ongegrond verklaard.

Het hoger beroep spitst zich toe op de arbeidskundige kant van de schatting, waarbij twee gronden naar voren zijn gebracht: ten onrechte houdt het Uwv bij het vaststellen van de restverdiencapaciteit geen rekening met regionale inkomensverschillen en het is niet juist om het inkomen als selectiecriterium in te voeren bij het zoeken naar geschikte functies.

Ter zitting heeft appellantes gemachtigde de gronden nog aangevuld met de stelling die ook reeds in beroep was betrokken, dat het Uwv uitgaat van te hoge loongegevens.

Het hoger beroep slaagt niet. Daartoe overweegt de Raad het volgende.

In verband met de grief dat het uurloon in de geselecteerde functies wordt genomen als selectiecriterium wijst de Raad op artikel 18, eerste lid, van de WAO: “arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling niet in staat is om met arbeid te verdienen, hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, met arbeid gewoonlijk verdienen”.

Gelet op de wettekst moet de mate van arbeidsongeschiktheid niet alleen op medische, maar ook op arbeidskundige gronden worden bepaald. Bekeken moet worden welke verdiensten de verzekerde thans zou hebben gehad als hij niet arbeidsongeschikt was geworden, en welke verdiensten hij nog in staat is te verwerven als rekening wordt gehouden met de medische beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid. Het verschil tussen beide wordt aangemerkt als het verlies aan verdiencapaciteit. Uitgedrukt in een percentage is dit de mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO. Uit deze bepaling volgt derhalve imperatief dat het Uwv gehouden is om de zogenoemde resterende verdiencapaciteit te bepalen aan de hand van de restverdiencapaciteit in de zogenoemde voorbeeldfuncties. Het Schattingsbesluit Arbeidsongeschiktheidswetten schrijft daarbij – kort gezegd – voor dat voor het loonverlies wordt teruggegrepen op de drie hoogst verlonende voorbeeldfuncties.

Ook de grief dat het systeem geen rekening houdt met regionale inkomensverschillen, waarbij daarenboven de in het door het Uwv gehanteerde systeem opgenomen uurlonen te hoog zouden zijn, slaagt niet.

Zoals besproken bij de behandeling ter zitting heeft de Raad in zijn uitspraken van 12 oktober 2006, onder meer LJN: AY9971, in het algemeen een oordeel uitgesproken over het gebruik van het Claimbeoordelings- en borgingssysteem (CBBS) als ondersteunend systeem en methode bij de beoordeling van arbeidsongeschiktheid in de zin van de arbeidsongeschiktheidswetten. De Raad heeft aangegeven geen categorale bedenkingen (meer) te hebben tegen de toepassing van het CBBS als systeem voor het bepalen van de mate van arbeidsongeschiktheid in individuele schattingszaken en daarmee het gebruik van het CBBS in beginsel rechtens aanvaardbaar te achten.

Hieruit volgt dat de Raad uitgaat van de juistheid van de in dat systeem opgenomen gegevens, tenzij hij wordt overtuigd van het tegendeel. Namens appellante zijn ook in hoger beroep geen gegevens overgelegd waaruit zou kunnen blijken dat de loonwaarden van de aan appellante voorgehouden functies niet overeenkomen met de werkelijkheid. De Raad schaart zich dan ook achter de overwegingen van de rechtbank ter zake.

De Raad voegt daaraan nog toe dat hij in aanmerking heeft genomen dat appellantes gemachtigde enkel in algemene zin heeft verwezen naar gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek, maar dat bijvoorbeeld niet is gesteld noch is gebleken dat de inkomensgegevens die in het CBBS zijn opgenomen alleen zouden zijn gebaseerd op de lonen zoals die in de Randstad worden betaald. Ter zitting van de Raad is door de gemachtigde van het Uwv hierover onder meer opgemerkt dat de enquêtering door arbeidskundig analisten een regionale spreiding kent en dat de loongegevens in veel gevallen zijn terug te voeren op in de betreffende bedrijfstak geldende CAO’s, zodat appellantes bezwaar op dit punt in het systeem feitelijk al is ondervangen.

Ondanks het feit dat het hoger beroep niet slaagt is er aanleiding de aangevallen uitspraak te vernietigen. De Raad stelt vast dat het bestreden besluit eerst in hoger beroep, door de rapportage van bezwaararbeidsdeskundige W.W.M. Strijbos van 18 mei 2006, van een toereikende onderbouwing is voorzien en ziet daarom aanleiding om de aangevallen uitspraak alsmede het bestreden besluit te vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), maar de rechtsgevolgen van dat besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van die wet geheel in stand te laten.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep, € 9,- aan reiskosten in beroep, € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep en € 19,20 aan reiskosten in hoger beroep, in totaal € 1.316,20.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot € 1.316,20, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 143,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2008.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.

HS