Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC3005

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-01-2008
Datum publicatie
31-01-2008
Zaaknummer
06-548 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schatting WAO. Juistheid oordeel over belastbaarheid en de daaraan gekoppelde voorgehouden functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/548 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 15 december 2005, 05/2077 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens betrokkene heeft mr. G.B.A. Bol, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft verweer uitgebracht.

Het geschil is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting op 14 december 2007. Geen van beide partijen is verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Nadat appellante zich per 10 juni 2004 had ziek gemeld vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet, heeft het Uwv bij besluit van 31 januari 2005 geweigerd per 8 juli 2004 aan haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen onder overweging dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid toen minder dan 15% was.

Bij besluit van 23 mei 2005 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het weigeringsbesluit van 31 januari 2005 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit op bezwaar van 23 mei 2005 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.

Gelet op de beschikbare medische gegevens zijn er geen redenen om te twijfelen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellante per 8 juli 2004. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat zij onvoldoende argumenten heeft gevonden voor de door appellante ingenomen, niet met nadere medische gegevens onderbouwde stelling medisch meer te zijn beperkt dan door het Uwv is vastgesteld.

Aangezien door appellante geen stellingen zijn aangevoerd die ertoe strekken dat de belasting in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies haar door de rechtbank onderschreven belastbaarheid overschrijdt, gaat de rechtbank ervan uit dat er geen sprake van overschrijding is. Met het vervullen van deze functies kan appellante een zodanig inkomen verwerven dat zij voor minder dan 15% arbeidsongeschikt in de zin van de WAO moet worden beschouwd.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij haar stelling - dat zij per 8 juli 2004 volledig arbeidsongeschikt dient te worden geacht - voldoende heeft onderbouwd met de bij haar brief van 17 oktober 2005 aan de rechtbank aangeboden brief van psychiater dr. E.G.Th.M. Hartong van 7 juli 2005. Deze brief houdt in ten eerste dat als diagnose is gesteld een posttraumatische stressstoornis alsook een atypische eetstoornis en ten tweede dat vooralsnog is gestart met cognitieve therapie, dat echter duidelijk lijkt dat appellante lichte vorderingen maakt, dat exposure (nu) te belastend is gezien de kwetsbaarheid van appellante, wat inhoudt dat een langer durend begeleidingstraject in gang zal worden gezet, waartoe appellante in contact zal worden gebracht met GGz Nijmegen.

Voorts heeft appellante erop gewezen dat zij reeds vanaf 10 juni 2004 nog steeds doorlopend een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) ontvangt en dat appellante (lees: het Uwv) dus kennelijk ook van mening is dat zij arbeidsongeschikt is; daarbij gaat het om hetzelfde ziektegeval.

Tevens heeft appellante - met een beroep op een uitspraak van de rechtbank Almelo van 13 januari 2006 (LJN: AU9709) - gesteld dat het Uwv niet heeft voldaan aan de eisen van inzichtelijkheid, verifieerbaarheid en toetsbaarheid waar het in dit geval gaat om niet-matchende punten inzake persoonlijk en sociaal functioneren die wel in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), maar niet in de beschrijving van de functies zijn benoemd.

Verder heeft appellante gesteld dat wat het omgaan met conflicten betreft (waarop in de FML een sterke beperking is aangenomen) ten onrechte geen signalering van overschrijding van de belastbaarheid voorkomt in de beschrijving van de functie medewerk(st)er medische administratie (sbc-code 515080, functienr. 9311-0281-003).

Tot slot heeft appellante aangevoerd dat zij zich in haar standpunt gesteund voelt door de toekenning aan haar bij besluit van 16 oktober 2006 per 29 december 2005 van wederom een volledige WAO-uitkering.

De Raad deelt het door appellante ingenomen standpunt niet en overweegt daartoe als volgt.

De brief van psychiater Hartong dateert van (bijna) één jaar na de datum in geding, maar die brief bevat geen enkele aanwijzing dat de inhoud ervan ziet op de psychische situatie waarin appellante ten tijde in geding verkeerde. Een diagnose houdt op zichzelf nog geen beperking in. In die brief is ook niet aangegeven dat en alsdan waarom appellante ten tijde in geding meer of ernstiger beperkt was te achten dan bij de FML is vastgesteld. Blijkens de gedingstukken is de verzekeringsarts bij het vaststellen van de FML op 23 december 2004 uitgegaan van het bestaan van een (onbehandelde) bipolaire stoornis, welke (in het algemeen) aanleiding geeft tot het vaststellen van zwaardere medische beperkingen dan bij een posttraumatische stressstoornis.

Een ZW-uitkering heeft betrekking op (ongeschiktheid voor) het eigen werk en uit het toegekend en gehandhaafd zijn daarvan (zo al terecht) kan niet worden afgeleid dat appellante volledig ongeschikt is voor het vervullen van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies.

Per 29 december 2005 is in verband met arbeidsongeschiktheid per 1 december 2005 en onder toepassing van artikel 43a van de WAO een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer toegekend, echter, louter op basis daarvan kan niet worden aangenomen dat appellante per 8 juli 2004 evenzeer volledig arbeidsongeschikt was.

Het beroep van appellante op de uitspraak van de rechtbank Almelo slaagt niet, zulks gelet op de met betrekking tot die materie nadien door de Raad gedane zogeheten CBBS-2-uitspraken van 12 oktober 2006 (o.a. LJN: AY9971), waarnaar de Raad zich hier verwijzing veroorlooft.

Wat het omgaan met conflicten betreft is in de FML opgenomen dat appellante daarin sterk is beperkt onder toevoeging: “kan meestal geen conflicten hanteren” met als toelichting van de verzekeringsarts: “incidenteel een conflict is geen probleem”. Gelet op de in het “Resultaat eindselectie” weergegeven inhoud van de door haar in hoger beroep genoemde functie medewerk(st)er medische administratie, moet appellante in staat worden geacht tot vervulling van die functie (met slechts één van de 12 arbeidsplaatsen in die sbc-code, zodat het vervallen van die ene functie met die ene arbeidsplaats niet van invloed zou zijn op het eindresultaat van de schatting).

Gelet op het vorenstaande slaagt het hoger beroep van appellante niet. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2008.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M. Lochs.

MK