Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2982

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-01-2008
Datum publicatie
29-01-2008
Zaaknummer
06-3987 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Na reorganisatie plaatsing in nieuwe functie. Bevordering naar hogere salarisschaal terecht geweigerd? Wordt nieuwe functie volledig vervuld?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3987 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

R. van Schieveen, wonende te Lisse, (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 mei 2006, 05/1323 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: college)

Datum uitspraak: 24 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 december 2007. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.D.L.M. Schruer, advocaat te Rotterdam, alsmede P.A.J. Breure en M. Olfers, beiden werkzaam bij de stichting Waternet.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was werkzaam als chef van de Chloor- en Spuidienst van het voormalige Waterleidingbedrijf van de gemeente Amsterdam, aan welke functie de salarisgroep 10 was verbonden.

1.2. In het kader van een reorganisatie die zich uitstrekte over de periode van 1 maart 2003 tot 1 januari 2006 is de functie van appellant komen te vervallen.

Bij besluit van 18 juli 2003 is appellant met ingang van 1 juli 2003 geplaatst in de nieuwe functie van teamleider van de Storings-, Chloor- en Spuidienst (teamleider SCS).

Bij besluit van 18 oktober 2004 is de (naam van de) functie van appellant per 1 juni 2004 vastgesteld als teamleider Uitvoering/SCS, onder mededeling dat aan deze functie de salarisgroep 11 was verbonden.

1.3. Bij brief van 4 november 2004 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de mondelinge mededeling van zijn leidinggevende dat zijn salaris niet wordt vastgesteld overeen-komstig salarisgroep 11.

Bij besluit van 31 januari 2005 (bestreden besluit) heeft het college dit bezwaar overeen-komstig het advies van de Adviescommissie Bezwaarschriften om formele redenen gegrond verklaard en het mondelinge besluit van de leidinggevende herroepen; tevens heeft het college geweigerd appellant te bevorderen naar de salarisgroep behorend bij de functie van teamleider Uitvoering/SCS omdat hij die functie niet volledig vervult.

De Raad beschouwt deze weigering met partijen als een besluit op bezwaar.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd omdat het college in dit besluit niet heeft gemotiveerd op welke specifieke aspecten appellant de betrokken functie niet volledig vervulde. De rechtbank heeft evenwel de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten, waartoe is overwogen dat uit het verweerschrift en het ter zitting verhandelde is gebleken dat het college appellant op goede gronden niet heeft bevorderd naar salarisgroep 11.

3. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep naar voren is gebracht, overweegt de Raad het volgende.

3.1. Ingevolge artikel 417, eerste lid, van het Ambtenarenreglement Amsterdam wordt de ambtenaar die niet wordt gesalarieerd naar de salarisgroep waarnaar zijn betrekking is gewaardeerd, bevorderd naar de desbetreffende salarisgroep indien hij zijn betrekking volledig en naar behoren vervult.

3.2. Uit de gedingstukken en ter zitting is gebleken dat behalve appellant ook A per 1 juli 2003 is aangesteld als teamleider SCS. A was voordien chef van de Storingsdienst die bij de reorganisatie moest worden geïntegreerd met de Chloor- en Spuidienst waarvan appellant de chef was. A zou op 1 december 2004 vervroegd uit dienst treden met gebruikmaking van de FPU-regeling en appellant zou hetzelfde doen op 1 februari 2005. Voorts is ook B als teamleider SCS benoemd. Na elders binnen het waterleidingbedrijf een functie te hebben vervuld kwam B op 1 april 2004, eerder dan verwacht, beschikbaar voor de nieuwe functie. De bedoeling was dat hij na het vertrek van A diens werkzaam-heden zou overnemen en vervolgens na het vertrek van appellant ook diens werkzaam-heden. B was de beoogde chef van de nieuwe, geïntegreerde dienst overeenkomstig het reorganisatieplan.

3.3. Volgens het college is bij het onder 1.2. vermelde besluit van 18 oktober 2004 de functie van appellant ten onrechte vastgesteld als teamleider Uitvoering/SCS (salarisgroep 11). Deze laatste functie was bedoeld voor de (eind-)situatie waarin er nog maar één leidinggevende van de geïntegreerde dienst was, te weten B. Het komt de Raad aanne-melijk voor dat het besluit van 18 oktober 2004 inderdaad op een vergissing berust, althans de bedoeling van het college onvoldoende nauwkeurig tot uitdrukking brengt.

Daarbij is in aanmerking genomen dat appellant, naar door hem is erkend, zich ook na

1 juli 2003 steeds heeft beperkt tot de werkzaamheden van chef van de Chloor- en Spuidienst.

3.4. Met betrekking tot de grief van appellant dat hij door het college niet in de gelegen-heid is gesteld om de functie waarin hij was aangesteld volledig te vervullen, wijst de Raad erop dat uit een brief van appellant van 22 november 2004 blijkt dat hij er reeds in juni 2003 vanwege het college van op de hoogte is gebracht dat er vooralsnog drie personen in deze ene functie zouden worden benoemd en dat uiteindelijk B als enige deze functie zou bekleden. Vóór zijn aanstelling was het appellant dus bekend dat hij de nieuwe functie niet (volledig) zou (kunnen) vervullen, zodat hij toen ook niet redelijker-wijs de verwachting kan hebben gehad dat hij conform de bij de nieuwe functie behorende salarisgroep zou worden ingeschaald. Onder de gegeven omstandigheden heeft hij ook de onjuistheid van (de bewoordingen van) het besluit van 18 oktober 2004 kunnen en moeten onderkennen.

3.5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en R. Kooper en

L.J.A. Damen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2008.

(get.) J.Th. Wolleswinkel.

(get.) R.B.E. van Nimwegen.