Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2968

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-01-2008
Datum publicatie
29-01-2008
Zaaknummer
06-2794 en 06-3267 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning gedeeltelijke WAO-uitkering.Toereikende medische grondslag? Rapport psychiater juist geïnterpreteerd door rechtbank?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2794 en 06/3267 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv)

en

[betrokkene],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 28 april 2006, 04/1500

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

betrokkene

en

het Uwv.

Datum uitspraak: 11 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Beide partijen hebben hoger beroep ingesteld en met een verweerschrift gereageerd op het hoger beroep van de andere partij.

Beide partijen hebben daarna nog nadere stukken toegezonden.

Het onderzoek ter zitting, waar de hoger beroepen gevoegd zijn behandeld, heeft plaatsgevonden op 16 november 2007. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. E.H. Siemeling. Betrokkene en haar gemachtigde mr. E. Schriemer, advocaat te Zwolle, zijn, zoals tevoren bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Betrokkene heeft zich in oktober 2002 ziek gemeld voor haar werk als verkoopmedewerkster voor 32 uur per week in verband met psychische klachten.

Bij besluit van 23 oktober 2003 heeft het Uwv haar een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Bij besluit van 27 oktober 2004 heeft het Uwv het hiertegen door betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit steunt onder meer op het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts dat, mede gelet op het op zijn verzoek uitgebrachte rapport van de psychiater R.P. Soeters, de in de primaire fase omtrent betrokkene vastgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) juist is.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen dit besluit door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd, het Uwv opgedragen een nieuw besluit te nemen - met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen - en bepalingen gegeven omtrent de vergoeding van griffierecht en proceskosten. In de uitspraak is overwogen dat het Uwv de belastbaarheid van betrokkene per

23 oktober 2003 opnieuw dient vast te stellen met inachtneming van het rapport dat de psychiater A.W.M.M. Stevens als deskundige op verzoek van de rechtbank heeft uitgebracht. Daaraan heeft de rechtbank toegevoegd dat alsdan beoordeeld kan worden of betrokkene op die datum in staat was tot het verrichten van (een deel van) de door het Uwv - bij de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid - in aanmerking genomen functies.

In hoger beroep stelt het Uwv zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte de psychiater Stevens volgt waar deze afwijkt van de bevindingen van de psychiater Soeters. Het Uwv wijst hierbij ten eerste op de instemming van Soeters met het aspect 6.3 van de FML, inhoudend dat betrokkene gemiddeld tot 32 uur per week kon werken, terwijl Stevens meent dat zij daartoe niet in staat kon worden geacht. Laatstgenoemde merkt hierbij overigens op dat achteraf lastig is te beoordelen wat precies de beperkingen ten aanzien van de werktijd geweest zijn en dat zij er, mede gelet op de aanwezige medische informatie, van uitgaat dat betrokkene destijds geen, dan wel maximaal een zeer lage urenbelasting aankon. Het Uwv wijst voorts op de afwijkende opvatting van Stevens waar deze stelt dat de mogelijkheid tot concentreren van betrokkene beperkt was. Met betrekking tot deze twee aspecten meent het Uwv dat de rechtbank ten onrechte heeft getwijfeld aan de bevindingen van Soeters. De rechtbank is namelijk ten onrechte van de veronderstelling uitgegaan dat Soeters het toestandsbeeld van betrokkene op de datum van het onderzoek (in augustus 2004) gelijk achtte aan het beeld zoals dat was op de in geding zijnde datum (in oktober 2003), hetgeen niet zo is. Het Uwv heeft erop gewezen dat de conclusies van Soeters - die in essentie van dezelfde anamnese en diagnose is uitgegaan als Stevens - niet zien op augustus 2004 en dat Soeters voorts op zorgvuldige en correcte wijze heeft uiteengezet waarom hij kan instemmen met de functionele mogelijkheden zoals deze met betrekking tot oktober 2003 door het Uwv zijn vastgesteld.

Het hoger beroep van betrokkene richt zich tegen het oordeel van de rechtbank voor zover dit ruimte laat aan het Uwv om opnieuw te onderzoeken of zij in oktober 2003 in staat kon worden geacht tot het verrichten van (een deel van) de geselecteerde functies. Betrokkene meent dat uit het rapport van de psychiater Stevens dient te worden opgemaakt dat zij destijds in het geheel geen benutbare mogelijkheden tot het verrichten van arbeid had.

Overwegingen van de Raad met betrekking tot het hoger beroep van het Uwv:

De opvatting van het Uwv, dat de functionele mogelijkheden zoals deze aanvankelijk zijn vastgesteld onverkort gehandhaafd kunnen blijven, volgt de Raad niet. De Raad ziet niet in waarom in dit geval de deskundige Stevens niet kan worden gevolgd. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat zij heeft ingestemd met de vastgestelde functionele mogelijkheden, echter behoudens de mogelijkheid van betrokkene tot normale concentratie en de mogelijkheid om tot 32 uur per week te werken. Hetgeen de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv hier tegen in heeft gebracht houdt in dat bij het actuele medisch onderzoek in de primaire fase niet is gebleken dat betrokkene toen ernstige beperkingen ondervond, noch bij haar persoonlijke en sociale functioneren, noch bij haar dagelijkse activiteiten, waardoor het niet aannemelijk is dat zij (verder) beperkt was ten aanzien van arbeidsduur en concentratie dan is aangenomen. De psychiater Stevens heeft echter haar afwijkende bevindingen mede onderbouwd met de door haar nader (in januari 2006) ingewonnen informatie van de behandelend psychiater Smit. Uit deze informatie valt specifiek af te leiden dat bij betrokkene in het vierde kwartaal van 2003, na het doormaken van een recidiverende ernstige depressie in de eerste helft van dat jaar, nog steeds sprake was van wisselende episoden waarin zij één dagdeel per week onder psychiatrische behandeling was, hetgeen volgens Smit onder andere inhield dat ze toen veel te kwetsbaar was om regulier te kunnen werken. Ook de Raad komt daarom tot de conclusie dat het bestreden besluit niet kan standhouden vanwege een ontoereikende medische grondslag. Dit betekent dat het hoger beroep van het Uwv niet slaagt. De Raad merkt nog op dat de omstandigheid dat de aangevallen uitspraak mogelijk aanwijzingen bevat dat de rechtbank het rapport van de psychiater Soeters niet juist heeft geïnterpreteerd wat betreft de door hem gehanteerde beoordelingsdatum, aan deze conclusie niet kan afdoen.

Overwegingen van de Raad met betrekking tot het hoger beroep van betrokkene:

De deskundige Stevens erkent dat het achteraf bezien lastig is exact te beoordelen wat de beperkingen ten aanzien van arbeidsduur zijn geweest. Uit haar rapport leidt de Raad af dat ook zij niet stellig concludeert dat betrokkene op de datum in geding in het geheel geen mogelijkheden tot werken had, zodat op voorhand niet kan worden gesteld dat er toen in het geheel geen duurzaam benutbare mogelijkheden waren. Daar komt bij dat er rondom de in geding zijnde datum verbetering is opgetreden in de gezondheidstoestand van betrokkene. Het voorgaande in aanmerking nemende, komt de Raad tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak, voor zover daarin aan het Uwv is opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen - met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen - in stand kan blijven. Dit betekent dat ook het hoger beroep van betrokkene niet slaagt.

Gelet op de uitkomst van de beide hoger beroepen zal de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

Er zijn termen aanwezig om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in de hoger beroepsprocedure nu deze door het Uwv in gang is gezet. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor het indienen van een verweerschrift.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in de procedure 06/2794 tot een bedrag groot € 322-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van

€ 428,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J. Riphagen en

A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2008.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M. Gunter.