Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2957

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-01-2008
Datum publicatie
29-01-2008
Zaaknummer
06-2449 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAZ-uitkering toe te kennen. Voldoende rekening gehouden met oogklachten? Eerst in hoger beroep voldoende inzichtelijk toegelicht dat betrokkene de voor hem geselecteerde functies kan vervullen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2449 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant]

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 16 maart 2006, 05/595 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.C.F.M. Kamp, werkzaam bij de Koninklijke Metaalunie te Nieuwegein, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. Kamp. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Nicolai.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant is werkzaam geweest als zelfstandig constructiewerker voor gemiddeld 40 uur per week. Per 1 september 2003 heeft hij zich ziek gemeld wegens hartklachten.

De verzekeringsarts A. van der Gaag heeft appellant onderzocht in het kader van een beoordeling op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) en heeft op 19 juli 2004 een rapport uitgebracht. Hierin is vermeld dat appellant in staat kan worden geacht om lichamelijk niet extreem zwaar werk te verrichten, mits dit niet onder cardiologisch ongunstige omstandigheden plaatsvindt. De voor appellant aangenomen medische beperkingen zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 19 juli 2004.

Aan de hand van deze FML heeft de arbeidsdeskundige R.A. Last functies voor appellant geselecteerd met behulp van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS). In het door Last op 23 augustus 2004 uitgebrachte rapport is vermeld dat, gezien de aan deze functies te ontlenen verdiencapaciteit, de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op minder dan 25% moet worden gesteld.

Bij besluit van 26 augustus 2004 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat wordt geweigerd hem met ingang van 29 augustus 2004 een uitkering op grond van de WAZ toe te kennen, omdat zijn mate van arbeidsongeschiktheid minder bedraagt dan 25%.

Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. De bezwaarverzekeringsarts

A.M.M. Moons heeft op 3 februari 2005 gerapporteerd dat de medische beperkingen van appellant juist zijn vastgesteld.

Bij besluit van 8 februari 2005 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant onder meer naar voren gebracht dat hij beperkingen heeft in verband met kleurenblindheid en dat hiermee door het Uwv onvoldoende rekening is gehouden. In dit verband heeft appellant een verklaring ingebracht van de behandelend oogarts dr. A. Geerling van 17 november 2007. Hierin is onder meer vermeld dat het kleurenzien nog normaal is, maar dat de rood-groenwaarneming minimaal gereduceerd is. Volgens appellant zijn de aan hem voorgehouden functies in medisch opzicht ongeschikt, onder meer in verband met zijn beperkingen ten aanzien van het waarnemen van kleuren alsmede zitten. Ook geldt volgens appellant dat een aantal functies ongeschikt is vanwege de gestelde opleidings- en ervaringseisen.

Het Uwv heeft in hoger beroep onder meer rapporten ingebracht van de bezwaar-verzekeringsarts A.M.M. Moons van 15 februari 2007 en 29 november 2007. Het Uwv heeft voorts rapporten overgelegd van de bezwaararbeidsdeskundige C. Wouters van

20 juni 2006, 1 november 2007 en 30 november 2007 alsmede een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige A.P.M. Kleijne van 25 januari 2007. Volgens het Uwv berust de onderhavige arbeidsongeschiktheidsbeoordeling op voldoende geschikte functies en moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

De Raad overweegt als volgt.

In het hiervoor genoemde rapport van de bezwaararbeidsdeskundige Wouters van

30 november 2007, dat tot stand is gekomen na overleg met de bezwaarverzekeringsarts Moons, is aangegeven dat, gezien de ingebrachte verklaring van de behandelend oogarts, het discriminerend vermogen wat betreft de kleuren rood en groen minimaal gereduceerd is. Volgens Wouters brengt dit mee dat de functie van product manager bij een exportbedrijf voor bloemen en potplanten (sbc-code 516150) uit zorgvuldigheidsoogpunt dient te vervallen. Hierbij is vermeld dat bij deze functie een breed spectrum van kleuren in met name rood- en groentinten aan de orde is, waarbij de kleurnuances veelal zeer dicht bij elkaar liggen. Bij het samenstellen van boeketten is het van belang om deze kleurnuances te kunnen onderscheiden, aldus Wouters. Met betrekking tot de functies binnen sbc-code 517061 - keukenverkoper heeft Wouters opgemerkt dat voor deze functies niet geldt dat binnen een bepaalde kleurstelling allerlei nuanceringen voorkomen. Volgens Wouters zijn deze functies daarom wel geschikt voor appellant. Zijn conclusie is dat er voldoende geschikte functies resteren en dat de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd blijft. De Raad acht de uitvoerige toelichting op de medische geschiktheid van de resterende functies, zoals die is gegeven in het rapport van 30 november 2007 en de overige in eerste aanleg en hoger beroep ingebrachte arbeidskundige rapporten, voldoende. Hierbij merkt de Raad nog het volgende op. Het betoog van appellant komt er deels op neer dat de functiebelasting van de geselecteerde functies wat betreft een aantal aspecten, waaronder het aspect zitten, zwaarder is dan is vermeld in het Resultaat Functiebeoordeling. Naar aanleiding hiervan overweegt de Raad dat, zoals hij al in eerdere uitspraken tot uitdrukking heeft gebracht, in beginsel moet worden uitgegaan van de juistheid van de kenmerkende belasting van de werkzaamheden zoals deze in het CBBS is weergegeven, tenzij wordt aangetoond dat deze onjuist is. Hierbij verwijst de Raad onder meer naar zijn uitspraak van 23 februari 2007, LJN: AZ9158. De door appellant in dit verband naar voren gebrachte stellingen acht de Raad te speculatief van aard en onvoldoende onderbouwd. Deze hebben de Raad daarom geen aanleiding gegeven tot twijfel aan de juistheid van de in het CBBS vermelde belasting van de desbetreffende functies.

Met betrekking tot de grieven over de gestelde opleidings- en ervaringseisen overweegt de Raad het volgende. Appellant bezit een LTS-diploma in de richting electro en metaal. Voorts heeft appellant gedurende twee jaar een MTS-opleiding gevolgd, zonder deze opleiding met een diploma af te sluiten. Het opleidingsniveau van appellant is op vier gesteld. Deze indeling is nader toegelicht in de rapporten van de bezwaararbeids-deskundige Wouters van 18 juli 2005 en 26 augustus 2005, die zijn ingebracht in de procedure in eerste aanleg. De Raad acht deze toelichting voldoende. In de arbeids-mogelijkhedenlijst is bij de functie van keukenadviseur (sbc-code 517061) vermeld dat drie jaar technisch gerichte verkoopervaring is vereist. Voorts is bij de functie van verkoopadviseur keukens en badkamers, die onder dezelfde sbc-code valt, vermeld dat commerciële werkervaring is vereist. Appellant heeft betwist dat hij over dergelijke ervaring beschikt. De Raad volgt appellant hierin niet. Hierbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat appellant blijkens de gedingstukken vanaf 1993 als zelfstandige heeft gewerkt op het gebied van constructiewerk en dat hij vanaf 1997 een eenmanszaak heeft. Voorts heeft de Raad in aanmerking genomen dat appellant ter zitting van de Raad desgevraagd heeft verklaard dat hij in de beginperiode van zijn zelfstandig ondernemerschap betrokken is geweest bij de verkoop. Gelet op een en ander acht de Raad voldoende aannemelijk dat appellant aan de genoemde ervaringseisen voldoet.

De Raad is tot de conclusie gekomen dat de onderhavige schatting op voldoende geschikte functies berust en dat het Uwv terecht heeft geweigerd om appellant in aanmerking te brengen voor een WAZ-uitkering.

Eerst in hoger beroep is door het Uwv met de ingebrachte arbeidskundige rapporten voldoende inzichtelijk toegelicht dat appellant de voor hem geselecteerde functies kan vervullen. Gelet op de vaste jurisprudentie van de Raad met betrekking tot met behulp van het CBBS tot stand gekomen besluiten, dient het bestreden besluit, dat is genomen vóór 1 juli 2005, te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarbij de rechtsgevolgen van dat besluit, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand zullen worden gelaten.

De Raad heeft aanleiding gezien om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en hoger beroep. Deze kosten zijn begroot op € 644,-- voor in eerste aanleg verleende rechtsbijstand en op € 644,-- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot € 1.288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant betaalde griffierecht van € 142,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter en J.F. Bandringa en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2008.

(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.

(get.) I.R.A. van Raaij.