Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2953

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-01-2008
Datum publicatie
29-01-2008
Zaaknummer
06-1423 WAO en 06-1424 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Beperkingen juist vastgesteld? Eerst in hoger beroep voldoende inzichtelijke en toetsbare motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1423 WAO en 06/1424 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 23 januari 2006, 05/1247 en 05/2140 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F.J. ten Seldam, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2007.

Namens appellant is mr. Ten Seldam verschenen.

Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.C. van der Meer.

II. OVERWEGINGEN

Appellant ontving sinds 24 juli 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. In het kader van een herbeoordeling is appellant op 9 september 2004 op het spreekuur van de verzekeringsarts D. Baartse gezien. Deze heeft als diagnose een postwhiplash-syndroom en chronische aspecifieke rugklachten gesteld en heeft de belastbaarheid van appellant weergegeven in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 10 september 2004. Deze bevat beperkingen ten aanzien van fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen en statische houdingen. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige J. van den Akker bij rapport van 20 oktober 2004 functies geselecteerd die appellant zou kunnen verrichten en op basis daarvan een mate van arbeidsongeschiktheid van 12,9% berekend. Bij besluit van 25 oktober 2004 heeft het Uwv de WAO-uitkering met ingang van 21 december 2004 ingetrokken.

In bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts R.M. Hulst het dossier bestudeerd en de hoorzitting bijgewoond. In zijn rapport van 25 januari 2005 heeft de bezwaarverzekeringsarts geconcludeerd dat er bij appellant weliswaar een uitgebreid klachtenpatroon bestaat, maar dat er onvoldoende argumenten zijn om aan te nemen dat er sprake zou zijn van ziekte als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de WAO. Volgens de bezwaarverzekeringsarts valt niet in te zien waarom appellant door zijn rugklachten minder belastbaar zou zijn dan klachtenvrije personen. In termen van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem is appellant belastbaar conform de normaalwaarde. De bezwaarverzekeringsarts heeft hieruit geconcludeerd dat appellant in staat zou moeten zijn het eigen werk in de volle omvang te verrichten en dat in elk geval de geduide functies zijn belastbaarheid niet te boven gaan. Om deze reden heeft de bezwaarverzekeringsarts de FML van 10 september 2004 vervangen door een FML van 25 januari 2005, die uitsluitend vermeldt dat appellant in staat is tot normaal functioneren. De bezwaararbeidsdeskundige J.G. Grothe heeft in een rapport van

31 januari 2005 aangegeven dat de arbeidsdeskundige Van den Akker de passendheid van de geduide functies, deels na overleg met verzekeringsarts Baartse, voldoende heeft gemotiveerd. Naar aanleiding van de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts dat appellant in staat is de maatgevende arbeid te verrichten, heeft de bezwaararbeidsdeskundige opgemerkt dat de FML van 25 januari 2005 geen beperkingen vermeldt, maar dat bij de beoordeling in oktober 2004 is uitgegaan van de toen aangegeven beperkingen en is gesteld dat de maatgevende arbeid niet passend was. Nu appellant zijn werk als beslagmaker in 1995 heeft gestaakt en sindsdien niet meer heeft gewerkt, is de periode tussen de datum waarop appellant voor het laatst in de maatgevende arbeid heeft gewerkt en de datum van de WAO-beoordeling zo lang dat volgens de bezwaararbeidsdeskundige een theoretische schatting op zijn plaats is. Bij besluit van 17 februari 2005 (bestreden besluit) heeft het Uwv, onder verwijzing naar de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige, het bezwaar tegen het besluit van 25 oktober 2004 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de bezwaarverzekeringsarts voldoende gemotiveerd waarom hij in tegenstelling tot de primaire verzekeringsarts geen aanleiding ziet om ten aanzien van appellant arbeidsbeperkingen aan te nemen. In de beschikbare medische informatie heeft de rechtbank geen steun kunnen vinden voor het oordeel dat appellant meer beperkt is ten aanzien van het hoofd, de nek en/of rug. De rechtbank heeft er in dit verband op gewezen dat volgens artikel 18 van de WAO niet bepalend is welke beperkingen de verzekerde stelt te ondervinden of in de praktijk blijkt te ondervinden, maar dient de arbeidsongeschiktheid een rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg te zijn van ziekte of gebrek. De door appellant overgelegde brief van zijn huisarts van

16 november 2005 bevat naar het oordeel van de rechtbank geen objectivering van de lichamelijke klachten en geen nieuwe informatie over het medicijngebruik. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank overwogen dat de functieduiding ruimschoots voldoet aan het bepaalde in artikel 9 van het Schattingsbesluit en dat niet is gebleken dat de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid van appellant niet op goede gronden zou berusten.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet zorgvuldig heeft plaatsgevonden, nu de primaire verzekeringsarts wel beperkingen bij appellant heeft vastgesteld, terwijl de bezwaarverzekeringsarts heeft geconcludeerd dat er in het geheel geen beperkingen zijn. Beide artsen hebben volgens hem niet de juiste diagnose gesteld en de beperkingen onderschat. Ter onderbouwing heeft appellant een brief van de neuroloog R.J. Meijer van 7 april 2006, een advies van de psycholoog

M. Boermans van 6 november 2006, een brief van de sociaal-psychiatrisch verpleegkundige F. Thunissen en de psychiater A.M. van der Koolwijk van

31 augustus 2007 en een brief van de huisarts G.J. van Vliet van 20 november 2007 overgelegd. Voorts acht appellant niet gemotiveerd waarom de geduide functies passend zijn.

Het Uwv heeft gereageerd middels rapportages van bezwaarverzekeringsarts Hulst van

20 juli 2006 en 26 april 2007. Voorts heeft het Uwv desgevraagd bij brief van

17 oktober 2007 een nadere motivering gegeven met betrekking tot de geschiktheid van de geduide functies. Daartoe zijn stukken overgelegd die zijn ingediend in een bij de rechtbank Haarlem lopende beroepszaak tegen een besluit waarbij appellants WAO-uitkering per 4 maart 2004 ongewijzigd is vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Dit betreft een in die procedure nader genomen besluit van 25 april 2006, het aan dat besluit ten grondslag liggende rapport van de bezwaararbeidsdeskundige Grothe van 6 april 2006 en het in die procedure uitgebrachte rapport van de bezwaararbeidsdeskundige A.M.A. Kuiper van 22 november 2006.

De Raad overweegt als volgt.

In voormeld besluit van 25 april 2006 is, onder verwijzing naar een rapport van een bezwaarverzekeringsarts van 3 maart 2006, vermeld dat de bezwaarverzekeringsarts tot de conclusie is gekomen dat appellant op en na 25 juli 2002, op en na 15 januari 2004 en op en na 4 maart 2004 belastbaar is conform de FML van 10 september 2004. De Raad acht hiermee niet te rijmen dat bezwaarverzekeringsarts Hulst in zijn rapport van

25 januari 2005 heeft vastgesteld dat appellant volgens de normaalwaarden belastbaar is en de FML van 10 september 2004 heeft vervangen door een FML zonder beperkingen. Weliswaar ziet deze FML op de datum hier in geding, 21 december 2004, maar uit het rapport van Hulst kan de Raad niet opmaken dat de medische situatie van appellant tussen 4 maart 2004, 10 september 2004 en 21 december 2004 zodanig is verbeterd dat het niet meer aannemen van beperkingen zou zijn gerechtvaardigd. Veeleer rijst uit dit rapport en de overige medische stukken het beeld op dat de rugklachten van appellant zich hebben gestabiliseerd. Derhalve valt zonder nadere motivering niet te begrijpen dat in verband met deze klachten op 4 maart 2004 nog wel beperkingen aanwezig zijn geacht en op

21 december 2004 niet meer. Daarnaast is niet gemotiveerd waarom de beperking die in de FML van 10 september 2004 is opgenomen in verband met appellants allergie voor huisstofmijt, in de FML van 25 januari 2005 is komen te vervallen. Gelet op het vorenstaande is de medische grondslag van het bestreden besluit naar het oordeel van de Raad niet deugdelijk gemotiveerd en komt dit besluit, alsmede de aangevallen uitspraak, wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking.

De Raad stelt echter vast dat de intrekking van de WAO-uitkering in het primaire besluit was gebaseerd op de FML van 10 september 2004 en de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid op basis van de aan de hand van die FML geselecteerde functies. In haar rapport van 31 januari 2005 heeft bezwaararbeidsdeskundige Grothe deze functies passend geacht ondanks aangegeven overschrijdingen op de items reiken, buigen en boven schouderhoogte werken. In hoger beroep is in het rapport van bezwaararbeidsdeskundige Kuiper een nadere motivering gegeven bij de belasting in deze functies. Gelet op een en ander is ondanks voormeld motiveringsgebrek in het bestreden besluit een beoordeling mogelijk van de medische en arbeidskundige grondslag van de intrekking van de uitkering.

De Raad ziet geen aanleiding voor het oordeel dat met de in de FML van

10 september 2004 opgenomen beperkingen de belastbaarheid van appellant ten tijde van de datum in geding is overschat. De verzekeringsarts Baartse heeft bij lichamelijk onderzoek geconstateerd dat de beweeglijkheid van hoofd, nek en rug bij gericht onderzoek fors is beperkt, maar dat appellant buiten onderzoek tot meer in staat bleek. De verzekeringsarts zag geen duidelijk verhoogde spanning van rug-, nek- en schouderspieren en geen overtuigende tekenen van wortelprikkeling. Ten aanzien van de psyche werd, behoudens een fixatie op lichamelijke klachten en niet onaanzienlijk ervaren onvermogen, geen evidente psychopathologie geconstateerd. De verzekeringsarts achtte appellant in staat niet al te zwaar werk te verrichten in een prikkelarme werkomgeving. In de FML zijn beperkingen opgenomen ten aanzien van koude, stoffen/gassen/dampen, trillingsbelasting, werken met toetsenbord en muis, reiken, buigen, tillen of dragen, zware lasten hanteren, hoofdbewegingen, lopen, traplopen, klimmen, zitten, staan en boven schouderhoogte actief zijn. De door appellant in hoger beroep ingebrachte informatie heeft de Raad niet tot de overtuiging gebracht dat de beperkingen ernstiger zijn dan door de verzekeringsarts is aangenomen en in de FML van 10 september 2004 is weergegeven. De Raad sluit zich in zoverre aan bij de rapportages van bezwaarverzekeringsarts Hulst van 20 juli 2006 en 26 april 2007. Het journaal van de huisarts van 20 november 2007 bevat verder geen informatie die niet reeds bekend was en meegewogen. De brief van de sociaal-psychiatrisch verpleegkundige Thunissen en de psychiater Van der Koolwijk van 31 augustus 2007 betreft een behandeling wegens psychische klachten die appellant van december 2006 tot mei 2007 volgde, maar bevat geen nieuwe gegevens over zijn psychische situatie ten tijde van de datum in geding.

Op basis van de FML van 10 september 2004 heeft de arbeidsdeskundige Van den Akker in zijn rapport van 20 oktober 2004 de functies machinaal metaalbewerker, productiemedewerker textiel, inpakker, textielproductenmaker en productiemedewerker industrie passend geacht. De Raad acht voldoende toegelicht dat deze functies in overeenstemming zijn met de vastgestelde beperkingen. De Raad stelt echter vast dat het (vóór 1 juli 2005 genomen) bestreden besluit eerst in hoger beroep is voorzien van een voldoende inzichtelijke en toetsbare motivering als bedoeld in de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 (LJN: AR4716) en 12 oktober 2006 (LJN: AY9971). Het bestreden besluit alsmede de aangevallen uitspraak komen ook om die reden voor vernietiging in aanmerking.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ziet de Raad aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1288,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 140,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C.M. van Laar en

E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) W.R. de Vries.