Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2948

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-01-2008
Datum publicatie
29-01-2008
Zaaknummer
05-7441 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering toe te kennen. Medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig. Ten onrechte is heropening op grond van art 43a WAO niet overwogen.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 43a
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 44
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2008/101
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/7441 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 22 november 2005, 05/965 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld. Nadien zijn door R.T. van Baarlen, werkzaam bij De Fiscount Adviesgroep B.V. te Zwolle, de gronden van het hoger beroep ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 november 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door R.T. van Baarlen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door J. Kouveld.

II. OVERWEGINGEN

Appellant, geboren in 1953, is, toen hij werkzaam was als (aankomend) dakdekker, door een val van een dak in 1972 aan zijn onderlichaam gedeeltelijk verlamd geraakt en ondervindt daardoor een aantal vergaande beperkingen in verband waarmee hem een uitkering in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) werd toegekend.

Appellant heeft nadien in verschillende werkzaamheden hervat. Sinds januari 1999 is appellant werkzaam als directeur grootaandeelhouder in een eigen vastgoedonderneming. Gelet op de verdiensten uit die werkzaamheden is zijn WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%, onder toepassing van artikel 44 van de WAO, vanaf 1 januari 1999 niet tot uitbetaling gekomen. Nadat drie jaar toepassing is gegeven aan artikel 44, is vervolgens op 1 januari 2002 de WAO-uitkering ingetrokken.

Appellant heeft schriftelijk gemeld bij het Uwv dat er per 15 augustus 2003 sprake was van een toename van de arbeidsongeschiktheid waardoor hij niet in staat was om zijn werkzaamheden te verrichten. Appellant heeft daarbij verzocht om de heropening van de uitkering.

Naar aanleiding van die melding is appellant op 10 oktober 2003 onderzocht door een voor het Uwv werkzame verzekeringsarts. Deze concludeerde dat er sprake was van een verslechtering en dat de afname van de benutbare mogelijkheden in overwegende mate voortvloeit uit dezelfde oorzaken als de oorspronkelijke. Op basis van die gegevens en de conclusies ten aanzien van de overschrijding van de belastbaarheid heeft een voor het Uwv werkzame arbeidsdeskundige geconcludeerd dat appellant niet geschikt is voor de arbeid van de maatman, de valide vastgoedspecialist. Op basis van de inkomsten over het jaar 2003 is vervolgens echter geconcludeerd dat er geen sprake is van een loonverlies om welke reden appellant per 12 september 2003 op praktische gronden voor minder dan 15% arbeidsongeschikt werd beschouwd. Bij besluit van 14 oktober 2004 is derhalve geweigerd appellant met ingang van 12 september 2003 een WAO-uitkering toe te kennen.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 14 oktober 2004. In het kader van dat bezwaar heeft een voor het Uwv werkzame bezwaarverzekeringsarts beoordeeld in hoeverre er sprake was van een verandering in de medische situatie van appellant. Daarbij is een vergelijking gemaakt met een in december 2000 door het Uwv verricht onderzoek en de in dat verband opgestelde rapportage. Geconcludeerd werd dat appellant reeds in 2000 forse beperkingen ondervond die op sommige onderdelen, in het destijds ten behoeve van het zogenoemde fis gehanteerde belastbaarheidspatroon, als vrijwel maximaal werden aangegeven. Vergelijking met de beperkingen zoals die waren opgenomen in de zogenoemde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) uit 2003 leidde de bezwaarverzekeringsarts tot de conclusie dat er geen sprake was van een verandering in de beperkingen. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen die conclusie. Appellant heeft gesteld dat er in 2003 wel degelijk sprake was van meer beperkingen. Appellant heeft er daarbij onder meer op gewezen dat hij in 2003 gebruik maakte van een rolstoel en dat traplopen maximaal beperkt is. Voorts heeft hij erop gewezen dat er sprake is van meer klachten en bemoeilijkt functioneren door ontstekingen aan knieën en voeten. Naar aanleiding van die bezwaren heeft de bezwaarverzekeringsarts een vergelijking opgesteld tussen genoemd belastbaarheidspatroon en de FML. Dit leidde tot de conclusie dat de aangegeven beperkingen vrijwel overeen kwamen. Bij het bestreden besluit van

23 maart 2005 heeft het Uwv de bezwaren dan ook ongegrond verklaard, zij het dat het Uwv zich thans niet op het standpunt stelt dat appellant op basis van zijn verdiensten niet in aanmerking kan komen voor een WAO-uitkering, maar dat er geen sprake is van een toename van de beperkingen in de zin van artikel 43a van de WAO.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij het standpunt van het Uwv onderschreven dat er geen sprake is van toegenomen beperkingen en dat een vergelijking van het belastbaarheidspatroon en de FML uitwijst dat er in beide gevallen sprake is van aanzienlijke beperkingen, maar niet dat appellants belastbaarheid is afgenomen.

In hoger beroep heeft appellant er onder meer op gewezen dat het Uwv aanvankelijk van mening was dat er sprake was van toegenomen beperkingen en dat het Uwv op dat standpunt is teruggekomen zonder dat een lichamelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Appellant heeft er daarbij ook op gewezen dat er verschillen bestaan tussen de FML en het belastbaarheidspatroon.

De Raad oordeelt als volgt.

Het Uwv heeft naar aanleiding van de melding van de toename van de beperkingen een lichamelijk onderzoek bij appellant verricht. Uit de daarop betrekking hebbende rapportage en het besluit van 14 oktober 2004 blijkt dat het Uwv zich op het standpunt heeft gesteld dat er sprake was van een toename van de lichamelijke beperkingen. Naar aanleiding van de bezwaren van appellant is het Uwv op dat standpunt teruggekomen. De Raad is van oordeel dat deze gewijzigde beoordeling van de gezondheidstoestand van appellant onvoldoende zorgvuldig heeft plaatsgevonden. De bezwaarverzekeringsarts heeft appellant niet gezien, en heeft derhalve geen lichamelijk onderzoek verricht; de veranderde beoordeling is uitsluitend gebaseerd op de summiere schriftelijke gegevens die zich in het dossier bevinden. Dit is te meer onzorgvuldig nu uit de stukken waar de bezwaarverzekeringsarts zich op heeft gebaseerd, het belastbaarheidspatroon en de FML, blijkt dat niet alle vergelijkbare aspecten van de belastbaarheid eenzelfde of een - al dan niet met behulp van een toelichting - geheel gelijke omschrijving hebben gekregen. De Raad wijst bij wijze van voorbeeld op de beperkingen ten aanzien van het lopen. Waar in 2000 sprake is van een beperking tot een half uur per werkdag 5 minuten aaneengesloten, wordt in 2003 aangegeven dat de beperking minder dan ongeveer

5 minuten achtereen en minder dan ongeveer een half uur per werkdag bedraagt. De Raad onderkent dat het kan gaan om subtiele verschillen, maar dat neemt niet weg dat niet bij voorbaat kan worden uitgesloten dat deze verschillen voor de vraag of de inmiddels maatgevende functie van vastgoedspecialist nog kan worden uitgeoefend van doorslaggevende betekenis zijn. Daarbij wijst de Raad er nog op dat, afgaande op de betreffende rapportage, ook de bezwaarverzekeringsarts heeft onderkend dat de beperkingen niet volledig gelijk zijn gebleven, waar deze heeft aangetekend dat de aangegeven beperkingen ‘vrijwel’ overeen komen. De Raad wijst er ten slotte nog op dat door het Uwv, mede in het licht van het voorgaande, onvoldoende is gereageerd op de stellingen van appellant ten aanzien van toegenomen ontstekingen en klachten aan de knieën.

Het Uwv zal derhalve een nieuw en zorgvuldig onderzoek naar de beperkingen van appellant dienen te verrichten. Voor het geval het Uwv naar aanleiding van dat onderzoek tot de conclusie komt dat er - zoals ook aanvankelijk werd geconcludeerd - sprake is van een toename van de beperkingen per 15 augustus 2003, merkt de Raad nog het volgende op. De WAO-uitkering van appellant is destijds ingetrokken omdat ten aanzien van appellant de termijn van 3 jaar genoemd in artikel 44 van de WAO was verstreken en er derhalve van moest worden uitgegaan dat, ondanks de forse beperkingen die appellant ondervond, de vastgoedspecialist de maatman was geworden zodat er geen verlies aan verdiencapaciteit was en de uitkering op grond van artikel 43 moest worden beëindigd. Gelet op artikel 43a van de WAO, kan die uitkering, bij toename van de beperkingen binnen vijf jaar na die beëindiging worden heropend. De gestelde toename heeft zich voorgedaan binnen de bedoelde periode van vijf jaar. Dat appellant nog immer inkomsten verwerft uit zijn bedrijf betekent niet zonder meer dat hij bij toename van de beperkingen geen recht heeft op die heropening, maar brengt mee, dat die uitkering alsdan wederom onder toepassing van artikel 44 van de WAO geheel of gedeeltelijk niet tot betaling komt. Het feit dat in het verleden reeds gedurende een periode van 3 jaar toepassing aan artikel 44 is gegeven, betekent niet dat een dergelijke toepassing, bij een heropening van de WAO-uitkering in verband met een toename van de beperkingen, niet weer mogelijk zou zijn.

De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. De Raad begroot deze kosten op € 644,- aan rechtsbijstand in beroep en € 644,-- aan rechtsbijstand in hoger beroep, totaal derhalve € 1288,--.

Voor een vergoeding van wettelijke rente ziet de Raad geen aanleiding nu nog niet vaststaat dat appellant aanspraak kan maken op een WAO-uitkering, dan wel op welk bedrag aan uitkering appellant recht heeft. Appellant kan zich alsdan met een daartoe strekkend verzoek tot het Uwv richten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat het Uwv met inachtneming van deze uitspraak van de Raad opnieuw op het bezwaar van appellant beslist;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekering in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant betaalde griffierecht van in totaal € 140,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en H.G. Rottier en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2008.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M. Gunter.