Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2942

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-01-2008
Datum publicatie
29-01-2008
Zaaknummer
05/4388 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overschrijding redelijke termijn. Jurisprudentie Europese Hof. Toekenning immateriële schadevergoeding van 3000 euro.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4388 AAWAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

H. Karakas, wonende te Utrecht (hierna: appellant[appellante]

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 2 juni 2005, 04/1950 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.M. Walther, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Walther. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.B. Knollema.

II. OVERWEGINGEN

Appellante heeft op 24 januari 1997 een aanvraag ingediend voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met in 1980 ingetreden arbeidsongeschiktheid. Bij besluit van 7 april 1998 is haar per 24 januari 1996 uitkering toegekend. Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt en daarbij aangevoerd dat de toekenningsdatum van de uitkering niet juist is. Bij besluit op bezwaar van

28 december 1999 heeft het Uwv de toekenningsdatum gesteld op 31 december 1981. Bij een nader besluit op bezwaar van 28 november 2001 zijn aan appellante per

1 januari 1982 uitkeringen ingevolge de Algemene arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering toegekend. Het besluit van

28 november 2001 staat in rechte vast.

Op 17 september 2003 is namens appellante aan het Uwv verzocht om vergoeding van immateriële schade ter hoogte van € 16.000,-. Daarbij heeft appellante gesteld dat de afhandeling van de toekenning van de uitkeringen 20 jaar heeft geduurd, waardoor de redelijke termijn van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is geschonden. Bij besluit van

13 november 2003 heeft het Uwv dit verzoek afgewezen op de grond dat artikel 6 van het EVRM niet van toepassing is op de bestuurlijke procedure en voorts bij appellante geen sprake is van geestelijk leed vanwege de lange duur van de afdoening, zodat vergoeding van immateriële schade niet aan de orde is.

In het kader van het tegen het besluit van 13 november 2003 gemaakte bezwaar is namens appellante het bedrag van de schadevordering verlaagd naar € 3.200,-, en is gesteld dat wel sprake is van geestelijk leed door het uitblijven van een deugdelijk besluit op bezwaar en dat appellante daardoor immateriële schade heeft geleden.

Bij besluit van 10 juni 2004 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 13 november 2003 ongegrond verklaard, primair op de grond dat artikel 6 van het EVRM in de bezwarenprocedure niet van toepassing was en secundair omdat onvoldoende was aangetoond dat sprake was van immateriële schade in de zin van geestelijk leed als gevolg van het uitblijven van het besluit op bezwaar dan wel toename van de klachten van appellante als gevolg van de overschrijding van de wettelijke beslistermijn.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepalingen gegeven omtrent vergoeding van griffierecht en proceskosten.

De rechtbank heeft onder verwijzing naar de terzake gevormde jurisprudentie geoordeeld dat, anders dan het Uwv meent, de redelijke termijn van artikel 6 van het EVRM gaat lopen op het moment dat de belanghebbende bezwaar aantekent tegen het bestuursbesluit en dat de belanghebbende zowel in het kader van de gerechtelijke procedure als via een zelfstandig schadebesluit een vordering tot schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn in de bezwaarfase kan indienen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de redelijke termijn is geschonden, omdat de afhandeling van het bezwaar meer dan 3 jaar en 6 maanden heeft geduurd.

Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand kunnen blijven. Daartoe heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen aanleiding is voor vergoeding van immateriële schade omdat de (mogelijk) door appellante ervaren spanning en frustratie reeds voldoende zijn gecompenseerd door de vaststelling dat de redelijke termijn is geschonden. Bovendien achtte de rechtbank van belang dat het Uwv aan appellante de wettelijke rente over de na te betalen uitkering had vergoed.

Het hoger beroep van appellante is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven. Onder verwijzing naar de in bezwaar en in hoger beroep overgelegde medische stukken heeft appellante herhaald dat zij geestelijk heeft geleden onder de trage besluitvorming en dat haar ten onrechte geen immateriële schadevergoeding is toegekend. Appellante stelt dat de duur van de besluitvorming niet aan haar te wijten is en dat de omstandigheid dat haar wettelijke rente over de nabetaling van uitkering is vergoed aan het vorenstaande niet afdoet.

Het Uwv heeft in hoger beroep het standpunt van de rechtbank dat (mogelijk) sprake is van door appellante ervaren spanning en frustratie bestreden, en voorts, voor zover dit standpunt niet wordt gevolgd, voor de hoogte van een toe te kennen immateriële schadevergoeding ter zitting van de Raad gewezen op de in 2005 opgestelde interne “Richtlijn Uwv inzake vergoeding van schade bij overschrijding van de redelijke termijn van artikel 6 EVRM in de bezwaarfase”.

De Raad stelt vast dat het hoger beroep van appellante is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven.

De Raad stelt voorts vast dat tussen het indienen van het bezwaar door appellante en het besluit op bezwaar van 28 november 2001 ruim drie en een half jaar zijn verstreken, waardoor de redelijke termijn van artikel 6, eerste lid, van het EVRM is geschonden. Het Uwv heeft erkend dat het besluit van 28 november 2001 om die reden onrechtmatig is. Gelet daarop is voor appellante de weg naar een (immateriële) schadevergoeding geopend.

In zijn uitspraak van 22 september 2006, LJN: AY8871 heeft de Raad geoordeeld dat uit het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 29 maart 2006, Pizzati versus Italië, nr. 62361/00, moet worden afgeleid dat in geval van schending van de redelijke termijn daadwerkelijke spanning en frustratie wordt voorondersteld. Voorts heeft de Raad geoordeeld dat slechts wanneer het bestuursorgaan concrete omstandigheden aandraagt, die aanleiding vormen om te twijfelen aan de aanwezigheid van spanning en frustratie, of wanneer de rechter zelf dergelijke omstandigheden onderkent, de rechter op dit punt onderzoek zal moeten verrichten. Komt de rechter tot de conclusie dat er van daadwerkelijke spanning en frustratie geen sprake is, dan dient hij dit in zijn uitspraak vast te stellen en te motiveren.

De rechtbank heeft in haar uitspraak overwogen dat bij appellante (mogelijk) sprake is geweest van spanning en frustratie. De Raad is van oordeel dat in het licht van voormelde uitspraak van 22 september 2006 de uitspraak van de rechtbank zo moet worden gelezen dat de rechtbank onvoldoende aanleiding voor twijfel zag. In hetgeen het Uwv in het verweerschrift en ter zitting van de Raad hier tegenin heeft gebracht ziet de Raad geen aanleiding het oordeel van de rechtbank niet te volgen. De Raad is dan ook van oordeel dat ervan moet worden uitgegaan dat appellante daadwerkelijk spanning en frustratie heeft ondervonden van de lange afhandelingsduur van haar bezwaar.

Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellante met de vaststelling dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn en vergoeding van de wettelijke rente over de nabetaling van de uitkering niet is gecompenseerd voor de door haar ervaren spanning en frustratie. Ten aanzien van de vergoeding van de wettelijke rente wijst de Raad erop, dat deze vergoeding een compensatie geeft voor schade geleden door vertraging bij de uitvoering van de verplichting tot betaling van een geldsom door het Uwv en niet is een immateriële schadevergoeding in verband met schending van de beslistermijn door het bestuursorgaan.

De Raad is, gelet op de duur van de onderhavige termijnoverschrijding, van oordeel dat appellante een immateriële schadevergoeding van € 3.000,- toekomt. Het Uwv dient dan ook aan appellante een bedrag van € 3.000,- aan immateriële schadevergoeding te betalen. De Raad merkt daarbij nog op dat de interne “Richtlijn Uwv inzake vergoeding van schade bij overschrijding van de redelijke termijn van artikel 6 EVRM in de bezwaarfase”, wat daar overigens ook van zij, alleen al gelet op de datum van totstandkoming daarvan in de onderhavige zaak geen rol kan spelen.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten dient te worden vernietigd. De Raad ziet aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Kent aan appellante een schadevergoeding toe van € 3.000,-;

Bepaalt dat zijn uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 103,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en

M.S.E. Wulffraat-van Dijk en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M. Gunter.