Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2938

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-01-2008
Datum publicatie
29-01-2008
Zaaknummer
05-3964 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bezwaar tegen uitblijven van anticumulatie beslissing terecht niet-ontvankelijk verklaard. Brief inzake toekenningsbeslissing doorgestuurd als bezwaarschrift. Redelijke termijn.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2008/79
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/3964 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante]

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 juni 2005, 04/3433 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna, Uwv).

Datum uitspraak: 17 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D. Grégoire, advocaat te Sittard, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2007. Appellante is, met kennisgeving, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.B. Snoek.

II. OVERWEGINGEN

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemers verzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv mede verstaan het Lisv.

Het Uwv heeft met ingang van 6 november 1992 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) aan appellante toegekend, welke uitkering bij besluit van 1 augustus 1996 is ingetrokken, omdat toen over de maximale termijn van drie jaar toepassing was gegeven aan artikel 44 van de WAO.

Appellante heeft in oktober 1999 een aanvraag om een WAO-uitkering ingediend in verband met in oktober 1998 ingetreden arbeidsongeschiktheid. Het Uwv heeft bij besluit van 2 december 1999 met ingang van 25 oktober 1999 een maandelijks voorschot aan appellante toegekend op een WAO-uitkering. Vervolgens heeft de gemachtigde van appellante enkele keren bij het Uwv geïnformeerd naar de toepassing van artikel 44 van de WAO en naar een besluit over de toekenning van een WAO-uitkering vanaf oktober 1999.

Appellante heeft op 14 april 2004 bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een beslissing omtrent het toepassen van artikel 44 van de WAO. Vervolgens heeft zij beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op haar bezwaarschrift.

Bij besluit van 23 augustus 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv alsnog een beslissing genomen op het bezwaarschrift van appellante. Daarbij heeft het Uwv het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard, omdat over het toepassen van artikel 44 van de WAO reeds op 24 januari 2001 een besluit was genomen. Voorts heeft het Uwv bij het bestreden besluit met ingang van 25 oktober 1999 aan appellante een WAO-uitkering toegekend gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

De rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard kennis te nemen van het beroep, voor zover dit ziet op de toekenning van een WAO-uitkering per 25 oktober 1999, en heeft het beroep voor het overige ongegrond verklaard.

Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat het besluit van 24 januari 2001 slechts betrekking heeft op het tijdvak tot 1 augustus 1996 en dat geen rekening is gehouden met de ziekmelding in 1998. Voorts is betoogd dat het bestreden besluit geen primair besluit is ten aanzien van de toekenning van een WAO-uitkering per oktober 1999.

De Raad overweegt het volgende.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Uwv het bezwaar van appellante tegen het uitblijven van een beslissing over de toepassing van artikel 44 van de WAO terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, nu het Uwv daaromtrent reeds op 24 januari 2001 een besluit had genomen dat, blijkens de uitspraak van de Raad van 13 augustus 2004, inmiddels rechtens onaantastbaar is geworden. Voor het Uwv bestond derhalve ten tijde van het indienen van het bezwaar geen enkele gehoudenheid of aanleiding enig besluit te nemen ten aanzien van appellante omtrent de toepassing van voornoemd artikel.

Voorts heeft de rechtbank terecht vastgesteld dat bij het bestreden besluit tevens een eerste reële beslissing is genomen over de aanspraak van appellante op een WAO-uitkering vanaf 25 oktober 1999. De Raad vermag in het bezwaar van appellante van 14 april 2004, dat gericht was op het niet tijdig beslissen over de toepassing van artikel 44 van de WAO, niet tevens een bezwaar te lezen tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag om een WAO-uitkering. Reeds hiervan kan het bestreden besluit in zoverre niet met toepassing van artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze procedure betrokken worden. De rechtbank heeft voorts de brief van appellante van 14 september 2004 terecht aangemerkt als een bezwaarschrift tegen de toekenning van de WAO-uitkering en heeft die brief met toepassing van artikel 6:15 van de Awb terecht doorgezonden aan het Uwv. Hoewel de Raad in zodanig geval de voorkeur geeft aan het in zoverre niet-ontvankelijk verklaren van het beroep, in plaats van de door de rechtbank uitgesproken onbevoegdheid in zoverre, ziet de Raad daarin geen aanleiding over te gaan tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

Naar aanleiding van de opmerking van appellante dat sprake is van een schending van de redelijke termijn bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), merkt de Raad op dat de totale duur van deze procedure vanaf het moment waarop namens appellante bezwaar is gemaakt tot heden niet zodanig lang is dat van een schending van de redelijke termijn kan worden gesproken.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb. Beslist wordt mitsdien als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. Simon en

F.J.L. Pennings als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2008.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) A.C. Palmboom.