Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2925

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-01-2008
Datum publicatie
29-01-2008
Zaaknummer
06-5236 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eervol ontslag verleend op grond van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte. Is, na zorgvuldig onderzoek, het niet mogelijk gebleken de de ambtenaar binnen de openbare dienst van de gemeente andere arbeid op te dragen? gen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5236 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 juli 2006, 05/5641 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: college)

Datum uitspraak: 24 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 december 2007. Appellant is verschenen met bijstand van mr. F.F. van Norel, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Konijnendijk en mr. R. de Ceuninck van Capelle, beiden werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is met ingang van 15 april 1997 aangesteld als monteur TOH bij de afdeling Materieel van de Rotterdamse Electrische Tram (RET). Op 6 augustus 2002 is hij uitgevallen met arm- en schouderklachten en psychische problemen. Nadat appellant door de bedrijfsarts weer volledig arbeidsgeschikt was geacht, is bij Uwv USZO een second opinion aangevraagd. Deze is uitgebracht op 11 december 2002, met als uitkomst dat appellant niet geschikt is voor zijn werkzaamheden als monteur, omdat deze fysiek te belastend voor hem zijn. De functie van monteur heeft appellant niet meer (in volle omvang) uitgeoefend. Wel heeft hij andere werkzaamheden verricht, waaronder die van suppoost en instapcontroleur bij de metro.

1.2. Bij besluit van 24 januari 2005, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 1 november 2005, heeft het college appellant met toepassing van de artikelen 90 en 97 van het Ambtenarenreglement (AR) per 24 maart 2005 eervol ontslag verleend op grond van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte.

1.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

2.1. Het geschil spitst zich toe op de vraag of is voldaan aan de in artikel 90, tweede lid, aanhef en onder c, van het AR gestelde voorwaarde voor ontslag. Deze houdt in, voor zover hier van belang, dat het na een zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken de ambtenaar binnen de openbare dienst van de gemeente andere arbeid op te dragen.

2.2. De Raad stelt voorop dat voorschriften zoals hier aan de orde, vanwege het daarmee voor de ambtenaar gemoeide belang, door het betrokken bestuursorgaan nauwgezet in acht dienen te worden genomen (CRvB 25 februari 2004, LJN AO4714).

2.3. Voorts overweegt de Raad dat het verrichten van inspanningen om de betrokken ambtenaar in het arbeidsproces te re-integreren niet zonder meer gelijk staat met het uitvoeren van een herplaatsingsonderzoek, zeker niet voor zover de re-integratie is gericht op terugkeer in eigen werk. Op grond van de door het college aanvaarde second opinion van 11 december 2002 en de functieongeschiktheidsadviezen van 11 november 2004 en 21 april 2005 staat buiten twijfel dat terugkeer in de eigen functie van monteur voor appellant niet meer tot de mogelijkheden behoorde. Aan de daarop gerichte inspanningen van het college komt bij de beoordeling van de zorgvuldigheid van het herplaatsingsonderzoek dus niet de betekenis toe die het college daaraan gehecht wil zien.

2.4. Het betoog van het college komt erop neer dat geen andere functies zijn gevonden die appellant, gelet op zijn medische beperkingen, zou kunnen gaan vervullen. Het college heeft echter niet duidelijk gemaakt welke functiebeperkingen en arbeidsmogelijkheden daarbij in aanmerking zijn genomen. Mede gelet op de omstandigheid dat aan appellant een WAO-uitkering is toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van (slechts) 35-45%, had een nadere motivering op dit punt niet achterwege mogen blijven. Voorts kan uit de gedingstukken niet concreet worden afgeleid naar welke functies het college heeft gezocht en of geschikte functies inderdaad niet beschikbaar waren. Een en ander klemt temeer nu aan appellant in het kader van zijn re-integratie diverse functies zijn opgedragen, zoals die van suppoost en instapcontroleur, waarvan onweersproken is gebleven dat hij deze naar wederzijdse tevredenheid heeft vervuld. Dat enige andere functies, zoals die van metrobestuurder en medewerker postkamer, voor hem niet geschikt zijn gebleken, doet daaraan niet af. De stelling dat de door appellant verrichte werkzaamheden slechts van tijdelijke aard waren, acht de Raad niet overtuigend. Het gaat hier vooral om werkzaamheden in de sfeer van publieksbegeleiding en controle. Aan te nemen valt dat deze bij een groot vervoerbedrijf als de RET op betrekkelijk ruime schaal voorkomen en - ondanks reorganisaties en veranderingen in de werkwijze - in enigerlei vorm zullen blijven voorkomen. Op basis van de beschikbare gegevens is dan ook niet goed in te zien dat voor appellant, indien kort na zijn uitval als monteur met serieuze pogingen in die richting zou zijn begonnen, binnen een periode van ongeveer twee jaar geen geschikte plaats in de organisatie had kunnen worden gevonden.

2.5. De Raad komt - anders dan de rechtbank - tot de conclusie dat het bestreden besluit niet voldoende zorgvuldig is voorbereid en niet draagkrachtig is gemotiveerd, zodat het is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het hoger beroep treft dus doel. Het bestreden besluit zal worden vernietigd, evenals de aangevallen uitspraak waarbij dit besluit in stand is gelaten.

3. De Raad acht termen aanwezig om het college met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot € 322,- aan kosten wegens in eerste aanleg verleende rechtsbijstand en van een bedrag groot € 644,- aan kosten wegens in hoger beroep verleende rechtsbijstand, in totaal derhalve € 966,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit van 1 november 2005;

Draagt het college op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 966,-, te betalen door de gemeente Rotterdam;

Bepaalt dat de gemeente Rotterdam aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 349,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en R. Kooper en L.J.A. Damen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2008.

(get.) J.Th. Wolleswinkel.

(get.) R.B.E. van Nimwegen.

HD

04.01