Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2917

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-01-2008
Datum publicatie
29-01-2008
Zaaknummer
06-560 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herbeoordeling WAO-uitkering: minder dan 15% arbeidsongeschikt. Zorgvuldig onderzoek, belastbaarheid is niet overschat, voldoende geschikte functies. Motivering geschiktheid functies pas in hoger beroep. Maximering maatman. Rechtsgevolgen worden in stand gelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/560 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 16 december 2005, 05/550 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2007, waar appellant, met voorafgaande kennisgeving, niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Kneefel.

II. OVERWEGINGEN

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Appellant, geboren op 1 mei 1980, is op 20 augustus 2001 uitgevallen wegens rugklachten. Na afloop van de wachttijd is hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

In het kader van een herbeoordeling is appellant onderzocht door de arts W.R. van der Klooster-Bhaggoe. In haar rapport van 1 oktober 2004 is zij tot de conclusie gekomen dat appellant als gevolg van zijn rugklachten beperkingen heeft. Met inachtneming van deze beperkingen heeft zij een zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld. Vervolgens is de arbeidsdeskundige P. de Jong in zijn rapport van 9 november 2004 tot de conclusie gekomen dat appellant niet meer geschikt is voor zijn eigen werk, maar nog wel voor een aantal andere functies. Op basis van drie van deze functies heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op minder dan 15%. In overeenstemming met dit rapport heeft het Uwv appellant bij besluit van 15 november 2004 meegedeeld dat zijn uitkering met ingang van 16 januari 2005 wordt beëindigd.

In bezwaar heeft appellant samengevat en in hoofdzaak naar voren gebracht dat zijn rugklachten in vergelijking met voorheen niet zijn verbeterd. Om die reden acht hij onjuist dat de beperkingen ten aanzien van de aspecten duwen en trekken zijn vervallen. Voorts heeft hij ook last van pijnklachten aan de linkerzijde van zijn lichaam. Ter ondersteuning van zijn standpunten heeft appellant nadere medische informatie ingebracht.

Op 11 april 2005 heeft de bezwaarverzekeringsarts J. van der Stoep rapport uitgebracht. Daarin heeft hij zich kunnen verenigen met de voor appellant vastgestelde FML. Als reactie op de grief van appellant dat zijn rugklachten niet zijn verbeterd heeft de bezwaararbeidsdeskundige R. Speur in zijn rapport d.d. 11 april 2005 er op gewezen dat appellant op dat moment minder beperkingen heeft ten aanzien van het aspect zitten dan bij de vorige beoordeling. Thans is voldoende dat hij zo en nu en dan even kan staan of lopen in een overwegend zittende functie, terwijl er bij de eerdere beoordeling sprake diende te zijn van een daadwerkelijke afwisseling van houding. Om die reden zijn er nu meer geschikte functies voorhanden dan voorheen. Hij heeft zich kunnen verenigen met het rapport van de voornoemde arbeidsdeskundige, zodat het Uwv bij het bestreden besluit van 12 april 2005 (het bestreden besluit) het bezwaar van appellant ongegrond heeft verklaard.

In beroep heeft appellant, onder handhaving van zijn eerdere in de procedure geuite grieven, nog informatie overgelegd van zijn huisarts, waarop van de zijde van het Uwv is gereageerd door middel van een rapport d.d. 12 juli 2005 van voornoemde bezwaarverzekeringsarts Van der Stoep.

De rechtbank heeft zich met zowel met de medische als met de arbeidskundige component van het bestreden besluit kunnen verenigen en heeft het beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant wederom gesteld dat hij meer beperkingen heeft dan door het Uwv in navolging van de verzekeringsarts zijn aangenomen. Voorts heeft hij naar voren gebracht, onder verwijzing naar jurisprudentie van de Raad met betrekking tot het bij de onderhavige schatting gehanteerde Claimbeoordelings- en Borgingssysteem, dat de geschiktheid van de functies in onvoldoende mate is gemotiveerd. Bovendien is een aantal functies niet geschikt omdat hij de Nederlandse taal slecht beheerst. Daarnaast heeft hij naar voren gebracht dat de omvang van zijn maatgevende arbeid ten onrechte is gemaximeerd op 38 uur per week en dat door het Uwv een onjuist indexcijfer is gehanteerd.

Van de zijde van het Uwv is gereageerd op deze grieven van appellant door middel van rapporten van de bezwaarverzekeringsarts J.B. van der Heemst en de bezwaararbeidsdeskundigen Speur, voornoemd, en J. Huisman van respectievelijk 8 november 2007, 4 april 2005 (lees 4 april 2006) en 29 oktober 2007.

De Raad overweegt als volgt.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat door het Uwv een zorgvuldig onderzoek is ingesteld naar de klachten van appellant en de daaruit voortvloeiende beperkingen. Het standpunt van het Uwv dat de beperkingen als gevolg van zijn rugklachten in vergelijking met voorheen zijn afgenomen in die zin dat appellant thans langer achtereen kan zitten dan voorheen en minder afwisseling in houding noodzakelijk is, kan de Raad op grond van de medische gegevens niet voor onjuist houden. De Raad is niet tot de conclusie kunnen komen dat het Uwv de belastbaarheid van appellant heeft overschat.

Voorts is de Raad op grond van de gedingstukken van oordeel dat het Uwv voldoende geschikte functies voor appellant heeft geselecteerd. De Raad stelt echter vast dat de motivering van de geschiktheid van deze functies door het Uwv pas in hoger beroep is gegeven met het voormelde rapport d.d. 29 oktober 2007 van de bezwaararbeidsdeskundige Huisman. Voorts stelt de Raad vast, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 2 maart 2007 (LJN: AZ9652), dat het Uwv bij het berekenen van de mate van arbeidsongeschiktheid aanvankelijk de urenomvang van de maatman ten onrechte heeft gemaximeerd op 38 uur per week. De bezwaararbeidsdeskundige Huisman heeft echter in zijn rapportage van 29 oktober 2007 aangetoond dat een berekening waarbij wordt uitgegaan van een maatmanomvang van 40 uren per week in het onderhavige geval evenmin leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 15% of meer. Ook de overige grieven zijn naar het oordeel van de Raad in voldoende mate weerlegd in de hiervoor vermelde rapporten van de bezwaararbeidsdeskundigen.

Het vorenstaande brengt de Raad tot de conclusie dat, nu de noodzakelijke onderbouwing van de geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies pas in hoger beroep is gegeven, het bestreden besluit wegens onvoldoende motivering dient te worden vernietigd. Aangezien echter de overige grieven van appellant niet slagen is de Raad van oordeel dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in stand kunnen blijven.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal derhalve € 644,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 140,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2008.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.

TM