Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2910

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-01-2008
Datum publicatie
29-01-2008
Zaaknummer
05-35 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:75
Besluit proceskosten bestuursrecht 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2008/69
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/35 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 9 december 2004, 04/2245 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 8 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft [S.], wonende te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2007. Voor appellant is verschenen zijn gemachtigde [S.]. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 6 januari 2004 heeft het College de aanvraag van appellant om een langdurigheidstoeslag over 2003 afgewezen.

Bij besluit van 16 maart 2004 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van

6 januari 2004 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 16 maart 2004 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

Bij besluit van 25 juli 2006 heeft het College aan appellant alsnog de langdurigheidstoeslag over 2003 toegekend. Hierop is namens appellant het hoger beroep ingetrokken, onder gelijktijdig verzoek om - op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) - het College te veroordelen in de proceskosten van appellant.

Het College heeft dit verzoek gemotiveerd betwist. Het College is van oordeel

- samengevat en voor zover hier van belang - dat geen grond bestaat voor een veroordeling in de proceskosten van appellant, nu de gemachtigde van appellant geen beroepsmatige rechtshulpverlener is.

De Raad komt tot de volgende beoordeling

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het hoger beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

Artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaalt, voor zover hier van belang, dat een vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb uitsluitend betrekking kan hebben op de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

De Raad staat voor beantwoording van de vraag of in dit geval sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 28 februari 2006 (LJN AV 3971) is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand sprake indien niet slechts in incidentele gevallen rechtshulp wordt verleend.

Ter zitting van de Raad is gebleken en desgevraagd nader toegelicht dat [S.] sinds 2004 aan slechts twee personen, waaronder appellant, rechtsbijstand heeft verleend.

In deze omstandigheid kan naar het oordeel van de Raad niet gesproken worden van een het niveau van incidentele rechtshulp overstijgend patroon van beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Uit het voorgaande volgt dat voor een veroordeling van het College in de proceskosten van appellant geen aanleiding is, zodat het daartoe strekkende verzoek moet worden afgewezen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:75 van de Awb af.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2008.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) L. Jörg.

RB0701