Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2908

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-01-2008
Datum publicatie
29-01-2008
Zaaknummer
06-573 TW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering van de toeslag voor gehuwden/samenwonenden. Niet nakomen van inlichtingenverplichting.

Wetsverwijzingen
Toeslagenwet
Toeslagenwet 11a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2008/60
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/573 TW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 2 januari 2006, 05/3393 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Koot, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2007. Voor appellant is zijn voornoemde gemachtigde verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. van Riet.

II. OVERWEGINGEN

Sedert 7 december 1991 ontvangt appellant naast zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering een toeslag op grond van de Toeslagenwet, berekend naar de grondslag voor een gehuwde of een ongehuwd samenwonende.

Bij besluit van 4 oktober 2004 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant vanaf 10 september 1998 geen recht meer heeft op een toeslag voor een gehuwde. Bij besluit van 5 oktober 2004 heeft het Uwv de over de periode van 10 september 1998 tot en met 30 september 2002 ter hoogte van € 17.813,67 betaalde toeslag als zijnde onverschuldigd betaald van hem teruggevorderd. Bij het bestreden besluit van 12 april 2005 heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen deze besluiten ongegrond verklaard en die besluiten gehandhaafd.

Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Onder verwijzing naar hetgeen is aangevoerd in de bezwaar- en de beroepsfase, is namens appellant in hoger beroep betoogd, dat appellant zijn informatieverplichting zo goed als voor hem mogelijk was is nagekomen, en dat van het Uwv had mogen worden verwacht dat richting appellant actie was ondernomen om nadere informatie te verkrijgen, gelet op de wijze waarop een aantal informatieformulieren door appellant is ingevuld. Appellant meent dat geen sprake is van “toedoen” in de zin van de Regeling schorsing, opschorting, herziening en intrekking van uitkeringen, omdat appellant gelet op zijn psychische situatie zijn eigen beperkingen bij het invullen van de formulieren niet heeft kunnen overzien. Door ondanks het niet reageren op de door appellant onduidelijk ingevulde informatieformulieren, zijn recht op toeslag met terugwerkende kracht in te trekken, heeft het Uwv gehandeld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Bovendien is, gelet op de psychische problematiek van appellant en zijn slechte inkomenspositie, sprake van een dringende reden, op grond waarvan het Uwv van herziening en/of terugvordering had dienen af te zien.

De Raad overweegt het volgende.

Evenals de rechtbank stelt de Raad vast dat tussen partijen niet in geschil is dat appellant vanaf 10 september 1998 niet langer samenwoonde met zijn echtgenoot en geen gezamenlijke huishouding met haar voerde. Evenmin is tussen partijen in geschil dat over de periode van 10 september 1998 tot en met 30 september 2002 ten onrechte een toeslag naar de gehuwdennorm aan appellant is betaald en ook over de hoogte van het bedrag dat over die periode aan appellant aan toeslag is betaald bestaat geen verschil van mening. Partijen verschillen wel van mening over de vraag of het Uwv in de gegeven omstandigheden het recht op toeslag met terugwerkende kracht mocht intrekken, en of een dringende reden aanwezig was, die zich ertegen verzette dat het Uwv de toeslag met terugwerkende kracht kon intrekken of het gehele over de genoemde periode onverschuldigd betaalde bedrag van appellant kon terugvorderen.

Het Uwv heeft de intrekking van het recht op toeslag met terugwerkende kracht per 10 september 1998 gebaseerd op het bepaalde in artikel 11a, eerste lid, aanhef en sub a van de Toeslagenwet. Voor zover van belang volgt uit dit artikel dat het Uwv een besluit tot toekenning van toeslag intrekt, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 12 of 13 heeft geleid tot het verlenen van een te hoog bedrag aan toeslag. Appellant hanteert bij de toepassing van deze bepaling een beleid dat is neergelegd in de zogenoemde Regeling schorsing, opschorting, herziening en intrekking uitkeringen (Regeling van 18 april 2000, Stcrt. 89, gewijzigd bij Regeling van 7 augustus 2003, Stcrt. 154). In de bijlage bij deze Regeling is voorzover van belang aangegeven, dat indien door toedoen van belanghebbende ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering is verstrekt, intrekking of herziening plaats vindt met terugwerkende kracht tot en met de datum van toekenning. Indien aan een belanghebbende als gevolg of mede als gevolg van het niet nakomen van een van de mededelingsverplichtingen geheel of gedeeltelijk ten onrechte uitkering is toegekend, wordt de beslissing tot toekenning of herziening ingetrokken met ingang van de datum waarop de uitkering zou zijn ingetrokken of herzien, als belanghebbende wel tijdig en juist aan zijn mededelingsverplichting zou hebben voldaan.

De Raad stelt allereerst vast dat appellant in de beslissing d.d. 29 januari 1993, waarmee aan hem per 7 december 1991 een (voorschot op een) uitkering op grond van de Toeslagenwet is toegekend, uitdrukkelijk is gewezen op zijn verplichting om eventuele wijzigingen in zijn burgerlijke staat of leefvorm onmiddellijk aan het orgaan dat de uitkering verstrekt door te geven. Onder de gedingstukken bevinden zich de informatieformulieren die appellant in de periode van november 1991 tot juni 2003 ingevuld aan het Uwv heeft doen toekomen. Op de vraag of appellant nog steeds gehuwd of ongehuwd samenwonend is, heeft appellant steeds geantwoord dat dat juist is. Pas op 10 februari 2002 heeft appellant de vraag voor het eerst ontkennend beantwoord. Dit heeft geleid tot nader onderzoek door het Uwv en tot de niet betwiste vaststelling dat appellant in ieder geval vanaf 10 september 1998 niet meer met zijn echtgenote samenwoonde.

Hoewel, wat ook door hem is erkend, appellant de betreffende vraag dus steeds foutief heeft ingevuld, brengt dit naar de mening van appellant niet met zich mee dat hij om die reden niet aan zijn mededelingsverplichting heeft voldaan en evenmin dat door zijn toedoen ten onrechte toeslag is betaald. Namens appellant is in dit verband gewezen op de vaak onduidelijke wijze waarop de vragen op de formulieren zijn beantwoord, wat voor het Uwv reden had moeten zijn zelf actief te worden en informatie in te winnen bij appellant of anderen.

Ook de Raad stelt vast dat appellant enerzijds invult dat zijn persoonlijke gegevens nog juist zijn, maar vervolgens soms ook invult dat er per een bepaalde nader aangegeven datum sprake is van wijzigingen. Uit de formulieren valt echter niet af te leiden dat deze wijzigingen betrekking hebben op zijn leefsituatie. Op een aantal formulieren heeft appellant ook gebruik gemaakt van de mogelijkheid om nadere vragen te stellen of opmerkingen te maken. De betreffende tekst is echter moeilijk te lezen, en voor zover dat wel mogelijk is, blijkt daaruit niet dat hij een wijziging van leefvorm heeft willen aangeven. Hoewel de formulieren dus vaak niet erg duidelijk zijn ingevuld, heeft appellant de vraag naar de leefvorm wel steeds duidelijk en in strijd met de waarheid ingevuld. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv in dit geval mogen afgaan op de beantwoording door appellant van die belangrijke vraag en hoefde, alles afwegende, de wijze waarop de formulieren overigens door appellant zijn ingevuld, geen aanleiding te vormen voor het Uwv om nader onderzoek te doen naar de leefsituatie van appellant.

Gelet ook op wat hem omtrent zijn mededelingsverplichting bij de brief tot toekenning van de toeslag is meegedeeld, had het appellant redelijkerwijs duidelijk dienen te zijn dat hij een wijziging van zijn leefvorm direct diende door te geven. Als hij moeite had met de invulling van de betreffende formulieren, bijvoorbeeld in verband met de taal of anderszins, had van hem mogen worden gevergd dat hij zich daarbij had laten bijstaan door een hulpverlener of door iemand uit zijn vrienden- of kennissenkring. Het is de Raad onvoldoende gebleken dat dit van appellant, gelet op zijn psychische of lichamelijke situatie, niet kon worden gevergd. De namens appellant in beroep overgelegde verklaring d.d. 22 februari 2005 van de aan Parnassia verbonden psychiater A. Vavic, die appellant in de periode van 24 september 2004 tot en met 14 december 2004 heeft behandeld, biedt daarvoor onvoldoende houvast. Weliswaar blijkt daaruit dat bij appellant sprake is van alcohol- en cocaïne afhankelijkheid, alsmede van een aandachtsstoornis, maar niet duidelijk is of hij deze aandoeningen ook al had in de in dit geding relevante periode en evenmin of deze hem toen in redelijkheid hebben belet te begrijpen dat hij wijzigingen aan de uitkeringsinstantie diende door te geven en/of hem hebben belet hulp te zoeken bij het begrijpen en invullen van de formulieren.

Dit leidt de Raad tot de conclusie dat appellant zijn inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 11a van de Toeslagenwet niet is nagekomen, en dat het besluit met betrekking tot het recht op toeslag door het Uwv terecht per 10 september 1998 is ingetrokken.

Van zodanige strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, die mee zou dienen te brengen dat het Uwv geheel of gedeeltelijk zou dienen af te zien van de intrekking van de uitkering van appellant, is naar het oordeel van de Raad geen sprake. Van de zijde van het Uwv zijn geen toezeggingen gedaan dat appellant zijn uitkering niet zou verliezen bij wijziging van zijn leefvorm, en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen had appellant ook uit het niet instellen van een nader onderzoek door het Uwv naar aanleiding van het invullen van de informatieformulieren, niet in redelijkheid mogen afleiden dat hij ondanks wijziging van zijn leefvorm aanspraak op toeslag zou blijven behouden.

Ten slotte is de Raad van oordeel dat het beroep van betrokkene op de aanwezigheid van een dringende redenen om af te zien van de onderhavige intrekking en terugvordering niet kan slagen. Blijkens de wetsgeschiedenis kunnen genoemde dringende redenen slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de gevolgen die een intrekking of een terugvordering voor een verzekerde heeft. Er moet iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand zijn wil een afwijking van de hoofdregel gerechtvaardigd zijn. De in dit verband door appellant geschetste omstandigheden komen onvoldoende gewicht toe om de aanwezigheid van bedoelde dringende redenen aan te nemen. De Raad wijst er daarbij op dat bij de beslissing omtrent de wijze waarop het verschuldigde bedrag dient te worden terugbetaald of wordt verrekend, rekening dient te worden gehouden met de financiële (on)mogelijkheden van appellant. Zoals blijkt uit wat daaromtrent door de vertegenwoordiger van het Uwv ter zitting is gezegd, gebeurt dat ook.

Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat het hoger beroep faalt, en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en A.T. de Kwaasteniet als leden. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2008.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.

JL