Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2900

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-01-2008
Datum publicatie
29-01-2008
Zaaknummer
06-5871 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafontslag. Binnen twee jaar zich schuldig gemaakt aan soortgelijk of enig ander plichtsverzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5871 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 14 september 2006, 05/3952 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Utrecht (hierna: korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 24 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 december 2007. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. W.J. Dammingh, werkzaam bij de Nederlandse Politie Bond. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.D.W. Smit-van Valkenhoef, werkzaam bij de politieregio Utrecht.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende, hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 7 juni 2005 heeft de korpsbeheerder, overeenkomstig het eerder bekendgemaakte voornemen daartoe, appellant de straf van ontslag opgelegd, met dien verstande dat die straf niet ten uitvoer wordt gelegd indien appellant zich gedurende twee jaar niet opnieuw schuldig maakt aan soortgelijk of enig ander plichtsverzuim. Bij het bestreden besluit van 17 november 2005 is het besluit van 7 juni 2005 na door appellant daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep nogmaals betoogd dat de hem verweten gedragingen geen (ernstig) plichtsverzuim opleveren en dat de opgelegde straf onevenredig is aan de ernst van het plichtsverzuim.

De korpsbeheerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad als volgt.

4.1. Nadat aanvankelijk vijf met name genoemde gedragingen aan appellant waren verweten, is dit bij de aangevallen uitspraak, in aansluiting op het verhandelde ter zitting van de rechtbank, beperkt tot een viertal gedragingen, te weten:

- het onbevoegd opmaken van een tiental processen-verbaal op ambtseed met betrekking tot in beslag genomen goederen;

- het in het interne processensysteem van de politie (hierna: BPS) aanbrengen van een mutatie aangaande een aanrijding waarbij appellant als privépersoon zelf betrokken was;

- het onbevoegd verstrekken van privégegevens uit het BPS aan een medewerker van een garagebedrijf, waarmee hij zakelijke contacten onderhoudt;

- de weigering om gevolg te geven aan een door de direct leidinggevende gegeven dienstopdracht om met hem in gesprek te gaan.

4.2. Ten aanzien van het onbevoegd opmaken van een tiental processen-verbaal onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat appellant wist, althans behoorde te weten dat hij tot het opmaken daarvan op ambtseed uit hoofde van zijn functie niet bevoegd was. De verweten gedraging is dan ook terecht als plichtsverzuim aangemerkt. Ook indien uitgegaan wordt van de lezing die appellant geeft van de gebeurtenissen, doet dat niet af aan het feit dat appellant niet bevoegd was. Naar aanleiding van hetgeen de rechtbank daarover heeft overwogen, staat thans echter tussen partijen vast dat dit plichtsverzuim onder de gegeven omstandigheden niet kan worden gekwalificeerd als ernstig.

4.3. Het in het BPS aanmaken van een mutatie was, naar de rechtbank terecht heeft overwogen, een handeling waartoe appellant niet bevoegd was en waarvan hij zich ter voorkoming van belangenconflicten had moeten onthouden. Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat de omstandigheid dat appellant over het aanmaken van de mutatie vooraf met een collega overleg heeft gevoerd daaraan niet afdoet en aan die gedraging ook het karakter van ernstig plichtsverzuim niet ontneemt.

4.4. De Raad is voorts van oordeel dat het appellant bekend had kunnen en moeten zijn dat het hem niet was toegestaan privégegevens uit het BPS aan derden te verstrekken. Appellant heeft met het verstrekken van bedoelde informatie gehandeld in strijd met de voor hem geldende plicht de gegevens uit het BPS strikt vertrouwelijk te behandelen.

De rechtbank heeft op goede gronden geconcludeerd dat deze verweten gedraging moet worden aangemerkt als ernstig plichtsverzuim. De redenen die appellant voor zijn handelwijze heeft opgevoerd, kunnen hiervoor geenszins als verontschuldiging dienen.

4.5. Evenals de rechtbank is de Raad verder van oordeel dat de door appellants leidinggevende gegeven dienstopdracht in de zich voordoende situatie was te beschouwen als een redelijke opdracht, waaraan appellant gehoor had dienen te geven. De Raad stemt in met de overwegingen die de rechtbank tot dit oordeel hebben gebracht en volstaat hier met verwijzing daarnaar. De weigering om aan de dienstopdracht gevolg te geven is evenzeer terecht gekwalificeerd als ernstig plichtsverzuim.

4.6. De door appellant in hoger beroep nog ingebrachte definitieve bevindingen van het College bescherming persoonsgegevens (hierna: CBP), naar aanleiding van appellants klacht dat in het kader van het jegens hem ingestelde disciplinaire onderzoek zijn persoonlijke e-mailbox in zijn afwezigheid en zonder zijn medeweten of toestemming is ingezien, houden naar het oordeel van de Raad geen verband met (het bewijs van) de aan het voorwaardelijk strafontslag ten grondslag gelegde feiten. De bevindingen van het CBP kunnen niet afdoen aan de zorgvuldigheid van het onderzoek dat tot het voorwaardelijk strafontslag heeft geleid.

5. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim. De korpsbeheerder was dus bevoegd appellant disciplinair te straffen. De vraag of onevenredigheid bestaat tussen het gepleegde plichtsverzuim en de opgelegde straf beantwoordt de Raad evenals de rechtbank ontkennend. De korps-beheerder heeft bij het opleggen van deze straf niet ten onrechte in aanmerking genomen dat appellant in strijd met de eisen van integriteit en verantwoordelijkheid heeft gehandeld en het in hem te stellen vertrouwen heeft geschonden.

6. Op grond van het bovenstaande komt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. De Raad acht voorts geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en R. Kooper en L.J.A. Damen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2008.

(get.) J.Th. Wolleswinkel.

(get.) R.B.E. van Nimwegen.

HD

27.12