Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2894

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-01-2008
Datum publicatie
29-01-2008
Zaaknummer
07-383 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitbreiding van werkzaamheden als zelfstandige zonder opgave. Herziening en terugvordering WW-uitkering. Boete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/383 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 1 december 2006, 06/1987 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 januari 2008.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.W. Landman, advocaat te Leiden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Landman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. A.J. Verdonk, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2.1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

2.2. Appellant ontvangt sinds 11 juli 2003 een WW-uitkering gebaseerd op een arbeidspatroon van 38 uur. Met ingang van 21 juni 2004 is deze uitkering voor 24 uur per week beëindigd, aangezien appellant op de werkbriefjes heeft aangegeven 24 uur per week - verdeeld over de woensdag, donderdag en vrijdag - als zelfstandige werkzaam te zijn. Omdat op dinsdag 15 maart 2005 in het kader van een zogenoemde fysieke controle was waargenomen dat appellant op zijn makelaarskantoor in gesprek was met een bezoeker, is vanwege het Uwv in maart en april 2005 een onderzoek ingesteld naar de activiteiten van appellant als zelfstandige. Daarbij zijn waarnemingen verricht bij het makelaarskantoor, onder meer op maandagen en dinsdagen waarop het kantoor volgens opgave van appellant is gesloten. In april 2005 is appellant viermaal op een maandag of dinsdag in zijn kantoor aangetroffen, waarbij tweemaal is waargenomen dat het kantoor open was voor bezoekers en een bezoeker in het kantoor aanwezig was. Naar aanleiding van deze bevindingen is appellant op 3 mei 2005 door twee fraude-inspecteurs verhoord. In het van dit verhoor opgemaakte verslag is onder meer vermeld dat appellant heeft verklaard dat hij op maandagen en dinsdagen wel eens in zijn bedrijfspand aanwezig is voor privézaken. Hij verklaarde desgevraagd dat hij, als hij op maandag of dinsdag aanwezig is in het kantoor, de telefoon opneemt en klanten die binnenlopen te woord staat om een afspraak te maken. Appellant verklaarde dit niet op zijn werkbriefjes te hebben gemeld omdat het hier in zijn visie niet gaat om werk omdat er geen inkomsten tegenover staan.

2.3. De bevindingen van het onderzoek waren voor het Uwv aanleiding om bij besluit van 22 juli 2005 de WW-uitkering van appellant over de periode van 31 mei 2004 tot en met 20 juni 2004 en van 14 maart 2005 tot en met 19 juni 2005 te herzien. Bij brief van dezelfde datum heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat hij de informatieplicht heeft geschonden, dat hij daarvoor mogelijk een boete krijgt en dat hij tot 5 augustus 2005 de gelegenheid krijgt om toe te lichten waarom hij de informatie niet heeft doorgegeven. Naar aanleiding van deze brief heeft appellant bij brief van 4 augustus 2005 verzocht om een afspraak met het Uwv.

2.4. Bij besluit van 22 augustus 2005 heeft het Uwv een boete van € 231,-- aan appellant opgelegd. Bij besluit van dezelfde datum heeft het Uwv de over de periode van 31 mei 2004 tot en met 19 juni 2005 te veel verstrekte WW-uitkering van appellant teruggevorderd. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het opleggen van de boete en tegen het terugvorderingsbesluit. Tijdens de bezwaarschriftprocedure zijn aan de gemachtigde van appellant alle relevante stukken toegezonden, waaronder het herzieningsbesluit van 22 juli 2005.

2.5. Bij besluit van 24 februari 2006 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv de door appellant gemaakte bezwaren tegen de terugvordering van onverschuldigd betaalde WW-uitkering en het opleggen van een boete in zoverre gegrond verklaard, dat het terug te vorderen bedrag en het bedrag van de boete worden verlaagd. Daaraan ligt ten grondslag dat de uitkering over het tijdvak van 31 mei 2004 tot en met 20 juni 2004 niet onverschuldigd aan appellant is betaald. Tot 14 juni 2004 kon hij namelijk gebruik maken van de zogenoemde oriëntatieperiode. Als gevolg van zijn deelname aan het experiment ‘inkomenskorting voor startende zelfstandige’ werd de eerste zes maanden van het zelfstandige ondernemerschap het werknemerschap niet beëindigd. Wat betreft de boete stelde het Uwv zich op het standpunt dat de aanwezigheid van appellant in het bedrijfspand, althans in ieder geval enkele malen, kan worden aangemerkt als het verrichten van werkzaamheden in het kader van zijn onderneming, en dat hij had kunnen weten dat hij die werkzaamheden aan het Uwv had moeten doorgeven omdat zij van invloed zijn op de vaststelling van zijn WW-uitkering. Nu hij dit heeft nagelaten heeft appellant niet voldaan aan de informatieverplichting van artikel 25 van de WW.

3. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij stelde vast dat appellant geen bezwaar heeft gemaakt tegen het herzieningsbesluit van 22 juli 2005. Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank dat in het onderhavige geding vaststaat dat appellant de voor hem geldende inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 25 van de WW heeft geschonden doordat hij de uitbreiding van zijn werkzaamheden niet op zijn werkbriefjes heeft opgegeven. De rechtbank wees de ter zitting naar voren gebrachte beroepsgrond van appellant dat hij het besluit van 22 juli 2005 niet heeft ontvangen als tardief van de hand. Met betrekking tot de terugvordering van de WW-uitkering oordeelde de rechtbank dat het Uwv op grond van artikel 36, eerste lid, van de WW gehouden was de als gevolg van het herzieningsbesluit onverschuldigd betaalde uitkering van appellant terug te vorderen, en dat niet gebleken is dat zich dringende redenen voordoen als bedoeld in artikel 36, vierde lid, van de WW.

4.1. In dit geding dient de Raad de vraag te beantwoorden of de rechtbank dient te worden gevolgd in haar oordeel over het bestreden besluit. Die vraag beantwoordt de Raad bevestigend.

4.2. Zoals ook de rechtbank heeft vastgesteld, heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend tegen het besluit van 22 juli 2005 strekkende tot herziening van de WW-uitkering, zodat dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden. De door appellant eerst ter zitting van de rechtbank betrokken stelling dat hij het besluit van 22 juli 2005 niet heeft ontvangen maakt dat niet anders, nu vaststaat dat appellant, ook nadat hem tijdens de bezwaarschriftprocedure een afschrift van dat besluit was toegezonden, hiertegen geen bezwaarschrift heeft ingediend. Daarom zal de Raad bij de beoordeling van het bestreden besluit, voor zover daarbij het besluit tot terugvordering van WW-uitkering is gehandhaafd de herziening van de WW-uitkering over de periode van 31 mei 2004 tot en met 20 juni 2004 en van 14 maart 2005 tot en met 19 juni 2005 als een gegeven dienen te aanvaarden.

4.3. Gezien hetgeen onder 4.2. is overwogen staat vast dat aan appellant over de periode van 14 maart 2005 tot en met 19 juni 2005 onverschuldigd WW-uitkering is betaald. Op grond van artikel 36, eerste lid, van de WW was het Uwv gehouden de onverschuldigd betaalde uitkering van appellant terug te vorderen, behoudens dringende redenen als bedoeld in artikel 36, vierde lid, van de WW. Nu gesteld noch gebleken is dat zich dringende redenen als hier bedoeld voordoen, heeft het Uwv terecht de over de hiervoor vermelde periode onverschuldigd betaalde WW-uitkering van appellant teruggevorderd.

4.4. Met betrekking tot de boete is de Raad, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de (formele) rechtskracht van het herzieningsbesluit uitsluitend ziet op de met dat besluit tot stand gebrachte rechtsgevolgen en niet op de daaraan ten grondslag gelegde oordelen van feitelijke en juridische aard. In dit oordeel ligt besloten dat in het kader van de beoordeling van de rechtmatigheid van de opgelegde boete aan de orde kan en moet worden gesteld of appellant de ingevolge artikel 25 van de WW op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.

4.5. Appellant betwist dat hij de inlichtingenplicht heeft geschonden. Hij ontkent dat hij op maandagen en dinsdagen personen op kantoor heeft ontvangen en te woord heeft gestaan. Dat staat volgens hem ook niet in het verslag van het verhoor op 3 mei 2005. Hij heeft in dat verhoor, uitsluitend omdat hij zich het niet meer kon herinneren, verklaard dat hij niet kan uitsluiten dat hij op maandagen en dinsdagen is gebeld en dat hij toen heeft verwezen naar de dagen waarop het kantoor wel geopend is. Ter zitting heeft appellant gesteld dat het verslag van het verhoor geen volledige weergave van het gesprek bevat, dat sprake was van een sturende vraagstelling en dat hij tijdens dit gesprek onder druk stond.

4.6. De Raad overweegt dienaangaande dat naar vaste rechtspraak in beginsel mag worden uitgegaan van de juistheid van een tegenover een opsporingsambtenaar afgelegde en door een betrokkene ondertekende verklaring. De Raad ziet geen aanleiding daarover in dit geval anders te oordelen. Niet is gebleken dat sprake is geweest van het uitoefenen van ontoelaatbare druk op grond waarvan appellant niet aan de door hem afgelegde verklaring mag worden gehouden. Er is evenmin grond om aan te nemen dat het verslag geen juiste weergave bevat van hetgeen hij heeft verklaard. Daarbij acht de Raad van belang dat appellant het rapport na doorlezing zonder enig voorbehoud heeft ondertekend en dat appellant geen klacht heeft ingediend over de wijze waarop het verhoor heeft plaatsgevonden. Ten slotte is de verklaring van appellant gedetailleerd en in overeenstemming met de bevindingen van het Uwv tijdens de verrichte waarnemingen.

4.7. Op grond van de onderzoeksbevindingen is voor de Raad voldoende komen vast te staan dat appellant, anders dan hij op zijn werkbriefjes heeft opgegeven, in de maanden maart en april 2005 niet slechts op woensdag tot en met vrijdag maar ook ten minste enige malen op maandag en/of dinsdag in zijn makelaarskantoor activiteiten als zelfstandige heeft verricht. Tot die activiteiten behoren naar vaste rechtspraak van de Raad ook het bijhouden van de administratie en het onderhouden van contacten met klanten. Door deze handelwijze is appellant de op grond van artikel 25 van de WW op hem rustende inlichtingenverplichting niet nagekomen, zodat het Uwv gehouden was hem een boete op te leggen. De Raad ziet geen grond voor het oordeel dat de hoogte van de opgelegde boete onjuist is.

4.8. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en T. Hoogenboom en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 januari 2008.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) M.B. de Gooijer.

BvW

2012