Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2889

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-01-2008
Datum publicatie
29-01-2008
Zaaknummer
07-5761 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2007:BB4083, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zelfstandige. Datum beeindiging van bijstandsuitkering. Verschoonbare termijnoverschrijding indienen van het bezwaarschrift.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2008, 107 met annotatie van H.E. Bröring
JWWB 2008, 72
RSV 2008, 75 met annotatie van C.W.C.A. Bruggeman
Gst. 2008, 63 met annotatie van A. Tollenaar
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5761 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 september 2007, 06/2075 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene] (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 15 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met dat in de zaak 07/5874 WWB, plaatsgevonden op 4 december 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. J.M. Boegborn, werkzaam bij de gemeente Amsterdam. Voor betrokkene is verschenen mr. N.H.G. Beltman, advocaat te Amsterdam. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst. Thans wordt in deze zaak afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Betrokkene ontving ten tijde hier van belang bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Op 5 oktober 2005 heeft betrokkene aan de Dienst Werk en Inkomen doorgegeven dat hij een eigen bedrijf (rijschool) was begonnen en dat om die reden de bijstand kon worden beëindigd. Bij brief van 10 oktober 2005 heeft betrokkene desgevraagd enkele bewijsstukken ingezonden met betrekking tot zijn rijschool.

Bij brief van 11 oktober 2005 heeft appellant betrokkene het volgende meegedeeld:

“Met ingang van 4 mei 2004 heeft u geen recht meer op een uitkering. Vanaf 4 mei 2004 bent u werkzaam als zelfstandige. Bijstand aan zelfstandigen kan alleen worden verleend met toepassing van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen. Het kan zijn dat u hier aanspraak op kunt maken. U kunt zich daarvoor tot de afdeling Centrale Afdeling Zelfstandigen wenden.

Om na te gaan met ingang van welke datum u precies geen recht meer heeft, wordt een onderzoek verricht. Dit heet een beëindigingsonderzoek. U bent volgens de wet verplicht hieraan mee te werken. Over het resultaat van het onderzoek krijgt u zo spoedig mogelijk bericht. (…..)”.

Onder aan deze brief is vermeld dat het intrekkingsbesluit is gebaseerd op artikel 54, derde lid, van de WWB en is een bezwaarclausule opgenomen.

Bij brief van 30 december 2005 is betrokkene meegedeeld dat geen nieuwe informatie of andere aanleiding is gebleken die moet leiden tot een andere beëindigingsdatum dan

4 mei 2004. Dit betekent dat het recht op bijstand vanaf die datum is gestopt. Ook onder deze brief is een bezwaarclausule opgenomen.

Bij brief van 12 januari 2006 heeft betrokkene bezwaar gemaakt, daartoe stellende dat hij pas sinds 4 oktober 2005 werkzaam is als zelfstandige.

Dit bezwaar is bij besluit van 28 februari 2006 niet-ontvankelijk verklaard, op de grond dat de brief van 30 december 2005 een mededeling van informatieve aard betreft, die niet op rechtsgevolg is gericht en waartegen geen bezwaar kan worden gemaakt. Appellant staat op het standpunt dat de bijstand van betrokkene reeds bij besluit van 11 oktober 2005 is ingetrokken.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het besluit van 28 februari 2006 vernietigd, daartoe onder meer overwegend dat het rechtsgevolg van de intrekking per 4 mei 2004 eerst is ingetreden met het bekend maken van de brief van 30 december 2005, zodat niet de brief van 11 oktober 2005, maar die van 30 december 2005 moet worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Appellant heeft dan ook ten onrechte het tegen het besluit van 30 december 2005 gerichte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, aldus de rechtbank. De rechtbank heeft voorts bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht gegeven.

Appellant heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad volgt de rechtbank niet in haar oordeel dat de brief van 30 december 2005 moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Met appellant is de Raad van oordeel dat reeds in de brief van 11 oktober 2005 het besluit tot intrekking van de bijstand van betrokkene is neergelegd, gelet op de niet voor tweeërlei uitleg vatbare mededeling in de eerste alinea van deze brief dat betrokkene met ingang van 4 mei 2004 geen recht op uitkering meer heeft. Hiermee is naar het oordeel van de Raad de tussen partijen bestaande rechtsverhouding gewijzigd met als gevolg dat het recht van betrokkene op bijstand is opgehouden te bestaan. Anders dan de rechtbank oordeelt de Raad dat dit niet anders wordt door de daarop volgende passages met informatie over een uit te voeren onderzoek. De brief van 30 december 2005 waarin wordt meegedeeld dat het onderzoek niet tot een andere intrekkingsdatum heeft geleid, kan slechts worden gezien als een mededeling van informatieve aard, die geen nieuwe rechtsgevolgen in het leven roept.

De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak reeds hierom moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Raad het volgende.

Naar het oordeel van de Raad had appellant, gelet op de gronden van het bezwaarschrift van 12 januari 2006, dit bezwaar moeten aanmerken als in wezen te zijn gericht tegen het besluit van 11 oktober 2005. Vast staat dat dit aldus op te vatten bezwaarschrift buiten de daarvoor geldende termijn als bedoeld in artikel 6:7 van de Awb is ingediend. De Raad ziet echter in dit geval voldoende aanknopingspunten om met toepassing van artikel 6:11 van de Awb te oordelen dat redelijkerwijs niet kan worden gezegd dat betrokkene in verzuim is geweest. Daarbij heeft de Raad in de eerste plaats in aanmerking genomen de omstandigheid dat het besluit van 11 oktober 2005 volgde op een verzoek om zijn uitkering te beëindigen, tegen welke beëindiging als zodanig betrokkene dus ook geen bezwaar had. Nu de in het besluit van 11 oktober 2005 opgenomen tekst over onderzoek naar de precieze intrekkingsdatum voorts verwarring kan scheppen en dit bij betrokkene blijkens het verhandelde ter zitting ook heeft gedaan, kon van betrokkene niet worden verwacht dat hij actie zou ondernemen na het uitblijven van betalingen in de maand oktober en verder - hij had immers zelf om stopzetting van zijn uitkering verzocht -. Nu hij bovendien op 10 oktober 2005 nog informatie had ingezonden naar aanleiding waarvan hij verdere besluitvorming mocht verwachten (het besluit van 11 oktober 2005 kon daarop nog geen reactie zijn), is de Raad van oordeel dat appellant in dit geval de termijnoverschrijding verschoonbaar had moeten achten en niet had mogen overgaan tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar.

Dit betekent dat het beroep gegrond moet worden verklaard en dat het besluit van 28 februari 2006 moet worden vernietigd. Appellant zal alsnog een inhoudelijke beslissing moeten nemen op het bezwaar.

De Raad ziet voorts aanleiding om appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene. Deze worden begroot op € 322,-- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens het bepaalde omtrent proceskosten en griffierecht;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 28 februari 2006 gegrond;

Vernietigt het besluit van 28 februari 2006;

Bepaalt dat appellant een nieuw besluit neemt op het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 11 oktober 2005 met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 322,--, te betalen door de gemeente Amsterdam.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en K. Zeilemaker als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2008.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

RB0701