Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2867

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-01-2008
Datum publicatie
28-01-2008
Zaaknummer
06-275 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Vastgestelde belastbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/275 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 1 december 2005, 05/2208 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B. Willemsen, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Willemsen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.M.J.E. Budel.

II. OVERWEGINGEN

Appellant, die in oktober 1984 zijn werkzaamheden als magazijnchef in verband met rugklachten heeft gestaakt, ontvangt vanaf 29 oktober 1985 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Appellants WAO-uitkering is vanaf 28 februari 1997 berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Bij brief van 23 juni 2004 heeft appellant het Uwv verzocht om een herziening van de WAO-uitkering omdat zijn rugklachten sinds het verzekeringsgeneeskundig onderzoek in januari 2004 sterk zijn toegenomen. Naar aanleiding van dit verzoek is appellant op

22 september 2004 onderzocht door verzekeringsarts A.F. Malyar. Deze arts is tot de conclusie gekomen dat sprake is van een ongewijzigde medische toestand ten opzichte van het voorafgaande onderzoek. De voor appellant geldende beperkingen zijn opgenomen in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). In de nadien ontvangen informatie van de behandelend neurochirurg R.H.M.A. Bartels heeft de verzekeringsarts geen aanleiding gezien om de opgestelde FML te wijzigen. Arbeidsdeskundige I. Wester is na raadpleging van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem tot de conclusie gekomen dat appellant met inachtneming van zijn beperkingen in staat is functies te vervullen, waarmee hij een zodanig inkomen kan verdienen dat sprake is van een verlies aan verdiencapaciteit van 40,27%. Overeenkomstig deze bevindingen heeft het Uwv bij besluit van 11 januari 2005 bepaald dat appellants WAO-uitkering ongewijzigd dient te worden vastgesteld naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45%.

Appellant heeft tegen het besluit van 11 januari 2005 bezwaar gemaakt. Bezwaarverzekeringsarts M. Carere heeft blijkens haar rapport van 6 april 2005 alle beschikbare medische gegevens over appellant, waaronder de recente informatie van neurochirurg Bartels, in ogenschouw genomen. De bezwaarverzekeringsarts is tot de conclusie gekomen dat het weliswaar aannemelijk is dat de slijtage van de rug geleidelijk voortschrijdt, maar dat de uitgebreide beperkingen in de FML ten aanzien van rugbelastende arbeid uit medisch oogpunt adequaat zijn. Deze arts is tevens tot de conclusie gekomen dat de voor appellant geselecteerde functies zeer licht rugbelastend en medisch gezien passend zijn. Bezwaararbeidsdeskundige P.G. Reijnen is eveneens tot de conclusie gekomen dat de belasting van de geselecteerde functies, waaronder die van controleur, tester electronische apparatuur, productiemedewerker industrie en machinaal metaalbewerker, binnen de belastbaarheid van appellant valt. Aangezien appellant op

1 augustus 1993 nog niet de leeftijd van 45 jaar had bereikt, is volgens de bezwaararbeidsdeskundige terecht het arbeidsongeschiktheidscriterium, zoals dat vanaf

1 augustus 1993 geldt, toegepast. Bij het besluit van 11 mei 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 11 januari 2005 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit akkoord bevonden en het beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant zijn in eerste aanleg aangevoerde grieven herhaald. Appellant kan niet begrijpen dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat sprake is van degeneratieve klachten die in de loop der tijd slechts in geringe mate verergeren. Appellant blijft van mening dat het Uwv zijn beperkingen heeft onderschat en dat zijn gezondheidsproblemen niet overeenkomen met de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid. In dat verband heeft appellant aangevoerd dat in de FML ten onrechte geen beperking is opgenomen op het onderdeel torderen en onduidelijk is wat bedoeld wordt met de toelichting van de verzekeringsarts bij het onderdeel zitten tijdens het werk, namelijk dat appellant op zijn tijd dient te kunnen afwisselen en de benen te strekken. Volgens appellant is de belasting van de functies van machinaal metaalbewerker en lederbewerker niet in overeenstemming met zijn beperkingen. Appellant heeft tevens gewezen op het besluit van het Uwv van 9 maart 2007 waarbij zijn WAO-uitkering na afloop van de wachttijd van 104 weken met ingang van 28 mei 2007 is herzien en vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

De in hoger beroep aan de orde zijnde vraag of de rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel dat de WAO-uitkering van appellant met ingang van 11 januari 2005 terecht ongewijzigd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45% is voortgezet, beantwoordt de Raad bevestigend.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit niet berust op een voldoende zorgvuldig medisch onderzoek. De bezwaarverzekeringsarts heeft bij de heroverweging van de medische grondslag van het besluit van 11 januari 2005 alle beschikbare medische gegevens alsmede de door appellant in bezwaar aangevoerde grieven, die hij tijdens de hoorzitting op 5 april 2005 in aanwezigheid van de bezwaarverzekeringsarts nader heeft toegelicht, in ogenschouw genomen. De bezwaarverzekeringsarts heeft onderkend, zoals ook neurochirurg Bartels heeft gerapporteerd, dat sprake is van degeneratieve afwijkingen van de rug die geleidelijk voortschrijden. De Raad is niet gebleken dat op de datum hier in geding met de vastgestelde beperkingen ten aanzien van rugbelastende arbeid in onvoldoende mate rekening is gehouden met deze aandoening. Daarbij tekent de Raad aan dat, zoals de gemachtigde van het Uwv ter zitting heeft erkend, in de FML weliswaar ten onrechte geen beperking is opgenomen bij het onderdeel torderen, maar dat de bezwaarverzekeringsarts bij de beoordeling van de geselecteerde functies in ogenschouw heeft genomen dat torderen boven de 30 graden niet wenselijk is en dat een dergelijke belasting in die functies niet voorkomt.

De Raad is evenmin gebleken dat de functies die aan het bestreden besluit ten grondslag liggen niet in overeenstemming zijn met de voor appellant vastgestelde beperkingen. In de FML is opgenomen dat appellant ongeveer een uur achtereen en zo nodig het grootste deel van de werkdag kan zitten, zij het dat de mogelijkheid moet bestaan om op zijn tijd van houding te wisselen dan wel de benen te strekken. De bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige zijn tot de conclusie gekomen dat in de functies langdurig zitten, staan of lopen niet voorkomt, hetgeen overeenkomt met de tot de gedingstukken behorende notities functiebelasting waarin is vermeld dat in deze functies het staan, lopen en zitten (enigszins) wordt afgewisseld. Gelet op het resultaat eindselectie, waaruit blijkt dat in deze functies het zitten hooguit gedurende een deel van de werkdag voorkomt gedurende een uur aaneengesloten, acht de Raad aannemelijk dat in deze functies de belastbaarheid op het onderdeel zitten tijdens het werk niet wordt overschreden.

Het standpunt van appellant dat uit het besluit van het Uwv om zijn WAO-uitkering met ingang van 28 mei 2007 te herzien naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 80 tot 100% volgt dat het thans in geding zijnde besluit om zijn uitkering per 11 januari 2005 ongewijzigd voort te zetten naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45% niet juist is, kan de Raad niet onderschrijven. Uit het bij dit besluit overgelegde rapport van arbeidsdeskundige A. de Grunt van 8 maart 2007 blijkt dat de klasse 80 tot 100% van toepassing is omdat er onvoldoende passende functies zijn gevonden. Dit rapport, noch de overgelegde eerste pagina van de kritische FML van 19 februari 2007 bevatten gegevens waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 11 januari 2005 onjuist is beoordeeld.

Uit het vorenstaande volgt dat de grieven van appellant in hoger beroep geen doel treffen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J.F. Bandringa en

C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2008.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) I.R.A. van Raaij.

JL