Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2858

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-01-2008
Datum publicatie
28-01-2008
Zaaknummer
06-4106 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag ambtenaar wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van haar functie anders dan wegens ziekte. Onvoldoende grondslag voor dit oordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4106 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 16 juni 2006, 05/787 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

Gedeputeerde Staten van de provincie Zeeland (hierna: gedeputeerde staten)

Datum uitspraak: 17 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Gedeputeerde staten hebben een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. K. ten Broek, werkzaam bij de ABVAKABO FNV. Gedeputeerde staten zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante was vanaf 1 oktober 2001 werkzaam in de functie van chemisch laborant bij de afdeling Milieuhandhaving en -metingen van de directie Ruimte, Milieu en Water van de provincie Zeeland. Dit betrof een zogeheten instroomfunctie.

1.2. In februari 2004 vernam het hoofd van de hiervoor genoemde afdeling ernstige kritiek op de wijze waarop appellante emissiemetingen verrichtte. Naar aanleiding daarvan is met appellante een verbetertraject afgesproken. Dat traject hield in dat appellante samen met een meettechnicus in juli en augustus 2004 ongeveer tien emissiemetingen zou verrichten, dat na afloop van elke meting met appellante en de clustercoördinator de bevindingen van de meettechnicus zouden worden besproken en dat na afronding van de serie metingen of zoveel eerder als nodig een evaluatie zou plaatsvinden met het hoofd van de afdeling. Nadat appellante acht emissiemetingen had verricht heeft appellante zich ziekgemeld en is het traject stopgezet. Het hoofd van de afdeling is toen tot de conclusie gekomen dat geen maatgevende verbetering is opgetreden en dat appellante de werkzaamheden bij emissiemetingen op onvoldoende niveau verrichtte.

1.3. Bij besluit van 22 februari 2005 hebben gedeputeerde staten appellante, met toepassing van artikel B.9, aanhef en onder h, van de Collectieve Arbeidsvoorwaarden-regeling Provincies (CAP), met ingang van 1 juni 2005 ontslag verleend wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van haar functie anders dan wegens ziekte. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 11 juli 2005.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd overweegt de Raad als volgt.

3.1. De Raad stelt allereerst vast dat uit de verslagen van de functioneringsgesprekken vanaf appellantes indiensttreding in 2001 een positief beeld oprijst omtrent het functioneren van appellante. Ook in het verslag van het gesprek op 5 februari 2004 heeft het hoofd van de afdeling geen noemenswaardige kritiek geuit op de wijze waarop appellante haar functie vervulde. Eerst nadat twee meettechnici in februari 2004 kritiek op de door appellante verrichte emissiemetingen hadden geuit, is zij daarop eind februari 2004 aangesproken. Als verklaring voor deze, nog niet eerder geuite, kritiek van haar twee collega’s op haar functioneren, heeft appellante onder meer aangegeven dat zij problemen hadden met het feit dat appellante niet wenste mee te werken aan onjuist declareren van lunches en dat zij om die reden de samenwerking met appellante wensten stop te zetten.

3.2. Uit de verslagen die tijdens het verbetertraject omtrent het functioneren van appellante zijn opgesteld heeft de Raad afgeleid dat de twee meettechnici hebben bezien of appellante, net als zij, in staat was om zelfstandig emissiemetingen te verrichten. De Raad stelt vast dat die taak evenwel niet tot het takenpakket van appellantes functie behoorde. Blijkens de organieke functiebeschrijving bestaat de functie van appellante namelijk voor 50% uit het voorbereiden en uitvoeren van metingen luchtverontreiniging, hetgeen volgens die beschrijving inhoudt het assisteren bij de uitvoering van immissiemetingen en emissiemetingen van luchtverontreinigende stoffen bij bedrijven.

3.3. Weliswaar is de functie van appellante een zogeheten instroomfunctie, waarin zij praktijkervaring kan opdoen teneinde na drie tot vijf jaar door te stromen naar een andere functie, maar dat betekent naar het oordeel van de Raad niet dat appellante na enige tijd ook naar behoren taken moet kunnen verrichten die buiten de functie-inhoud gelegen zijn.

3.4. Gezien het vorenstaande is de Raad van oordeel dat er onvoldoende grondslag bestond voor het oordeel van gedeputeerde staten dat appellante voor haar functie van chemisch laborant onbekwaam of ongeschikt is in de zin van artikel B.9, aanhef en onder h, van de CAP.

3.5. Anders dan de rechtbank concludeert de Raad derhalve dat het bestreden besluit niet in stand kan worden gelaten en wegens strijd met voornoemde bepaling van de CAP voor vernietiging in aanmerking komt. Dit brengt mee dat ook de aangevallen uitspraak vernietigd dient te worden.

Gedeputeerde staten zullen een nieuwe beslissing op appellantes bezwaar moeten nemen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen, in welk kader tevens aandacht kan worden besteed aan de door appellante verzochte schadevergoeding.

4. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding gedeputeerde staten op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg tot een bedrag van € 644,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-, derhalve in totaal € 1.288,- wegens kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 11 juli 2005;

Bepaalt dat gedeputeerde staten een nieuw besluit op bezwaar nemen met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt gedeputeerde staten in de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal € 1.288,-, te betalen door de provincie Zeeland;

Bepaalt dat de provincie Zeeland aan appellante het door haar in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 349,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en M.C. Bruning en

K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.J.W. Loots als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2008.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) P.W.J. Loots.

HD

07.01