Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2857

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-01-2008
Datum publicatie
28-01-2008
Zaaknummer
07-527 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag ambtenaar. Voldoende aannemelijk dat betrokkene het hem verweten plichtsverzuim heeft begaan. Niet is gebleken dat betrokkene zijn gedrag niet kan worden toegerekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/527 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het Dagelijks Bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum van de gemeente Amsterdam (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 december 2006, 05/5621 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 24 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 december 2007, waar betrokkene in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. drs. G.J.J.M. Pubben, advocaat te Utrecht. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.N. Snels en mr. R. Visser, beiden werkzaam bij het stadsdeel Amsterdam-Centrum. Tevens was namens het stadsdeel aanwezig N. Hajiot, werkzaam bij het Bureau Integriteit van de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Betrokkene was werkzaam als medewerker financiële administratie bij de afdeling Beheer Onroerend Goed (BOG).

Begin oktober 2004 heeft een marktkoopman bij het stadsdeel gemeld dat hij medio

20 september 2004 door een markmeester ten onrechte was aangesproken op een openstaande nota voor het marktgeld over het tweede kwartaal van 2004. Deze marktkoopman stelde dat hij deze nota, ten bedrage van € 778,34, op 16 augustus 2004 contant had betaald aan een medewerker van het stadsdeel. Op 4 oktober 2004 heeft deze marktkoopman een gesprek gehad met het hoofd van de sector Bouwen en Wonen. De afdeling van betrokkene valt onder deze sector. Vervolgens heeft de stadsdeelsecretaris het Bureau Integriteit opdracht gegeven om een onderzoek in te stellen.

1.2. Bij brief van 10 december 2004 heeft appellant betrokkene meegedeeld voornemens te zijn hem onder toepassing van artikel 1003, eerste lid, aanhef en onder f, van het Ambtenarenreglement Amsterdam (ARA) de disciplinaire straf van ontslag op te leggen met ingang van 1 februari 2005, wegens door hem gepleegd ernstig plichtsverzuim als bedoeld in artikel 204 in verbinding met artikel 1001 van het ARA. Nadat betrokkene zich had verantwoord, heeft appellant aan betrokkene bij besluit van 28 januari 2005 de disciplinaire straf van ontslag opgelegd, met ingang van 1 februari 2005. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 21 november 2005 (hierna: bestreden besluit).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Daartoe heeft de rechtbank in hoofdzaak overwogen dat gerede twijfel mogelijk is over de vraag of de marktkoopman het marktgeld contant heeft betaald aan betrokkene en - in verband daarmee - of dit marktgeld door laatstgenoemde ten onrechte niet is afgedragen.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad als volgt.

3.1. Uit het rapport van het onderzoek van het Bureau Integriteit komt naar voren dat de marktkoopman verscheidene keren consistent heeft verklaard dat hij op 16 augustus 2004 het door hem verschuldigde marktgeld contant op de markt aan een persoon die betrokkene moet zijn geweest heeft betaald, nadat hij hem op die dag daarover telefonisch had gesproken. Volgens de marktkoopman heeft betrokkene op de nota de opmerking “Ontv. 16/8/04 Voldaan akk.” en zijn handtekening geplaatst. Omdat de marktkoopman dit niet voldoende vond, is betrokkene vervolgens naar kantoor gegaan met de - aanvankelijk aan de nota gehechte - acceptgiro. Deze heeft hij even later teruggebracht met daarop een stempel “Ingevoerd in WBS 16 AUG 2004”, de handgeschreven aantekening “voldaan per kas” en een paraaf. Afschriften van deze nota en acceptgiro met de door de marktkoopman bedoelde kenmerken bevinden zich onder de gedingstukken. Blijkens het onderzoek van het Bureau Integriteit hebben twee collega’s van betrokkene het handschrift herkend als (veel gelijkend op) dat van betrokkene.

3.2. Volgens het overzicht van Vodafone, behorende bij de telefoonrekening van de marktkoopman, is er op de dag van betaling telefonisch contact geweest tussen de marktkoopman en het vaste telefoonnummer van betrokkene op zijn werk. Hoewel deze vermelding niet bewijst wat de inhoud van het telefoongesprek is geweest, vormt zij wel een bevestiging van het door de marktkoopman gestelde telefonische contact. Daarbij komt dat betrokkene volgens de verklaring van de marktkoopman vanaf zijn werkkamer voor het raam heeft gezwaaid zodat de marktkoopman hem zou kunnen herkennen. Volgens het proces-verbaal van 21 december 2004 komt de omschrijving van het raam door de marktkoopman redelijk overeen met de plaats van de werkkamer van betrokkene. Aangezien de marktkoopman betrokkene voorheen niet kende, acht de Raad het niet aannemelijk dat de marktkoopman zonder dit voorval in staat zou zijn geweest aan te geven waar de werkkamer van betrokkene zich bevond. Volgens het eerdergenoemde rapport was betrokkene voorts op 16 augustus 2004 de enige aanwezige op zijn afdeling.

Een en ander maakt ook voor de Raad voldoende aannemelijk dat betrokkene op

16 augustus 2004 contact met de marktkoopman heeft gehad; dit ondersteunt dus de verklaringen van laatstgenoemde op een belangrijk punt.

3.3. Dat de marktkoopman tegenover de marktmeester heeft verklaard dat hij zich de betrokken ambtenaar niet goed meer kon herinneren, betekent niet dat hij later geen globale omschrijving zou kunnen geven zoals hij desgevraagd tegenover het Bureau Integriteit heeft gedaan, te weten een donkere man van Indonesische/Pakistaanse komaf. Voorts blijkt uit het onderzoek van het Bureau Integriteit dat de marktkoopman ook bij de eerste gelegenheid, in een telefoongesprek met een collega van betrokkene, heeft gesproken over een donkere man, hetgeen past bij betrokkene.

3.4. Voorts acht de Raad van belang dat zowel volgens het op verzoek van betrokkene als volgens het op verzoek van appellant verrichte schriftonderzoek de handtekening op de nota (hoogst)waarschijnlijk van betrokkene afkomstig is. In zoverre zijn de schriftonder-zoeken dan ook eensluidend. Volgens het door het stadsdeel gevraagde onderzoek zijn ook de geschreven tekst op de nota en de paraaf en de geschreven tekst op de acceptgiro (hoogst)waarschijnlijk van betrokkene afkomstig. In de brief van 12 september 2005 van de door betrokkene ingeschakelde onderzoeker is over de paraaf op de acceptgiro en de overige geschreven tekst vermeld dat het onderzoek geen aanwijzingen heeft opgeleverd die de hypothese dat iemand heeft geprobeerd de authentieke ondertekeningswijze van betrokkene na te bootsen ondersteunen. Naar het oordeel van de Raad kon appellant op basis van deze twee onderzoeken, bezien in samenhang met de overige omstandigheden van het geval, aannemen dat betrokkene het bedrag aan marktgeld in ontvangst heeft genomen. Dit bedrag is vervolgens ten onrechte niet ten goede gekomen aan het stadsdeel.

3.5. Gelet op het voorgaande acht de Raad voldoende aannemelijk dat betrokkene het hem verweten plichtsverzuim heeft begaan. Niet is gebleken dat betrokkene zijn gedrag niet kan worden toegerekend. Appellant was dan ook bevoegd om betrokkene een disciplinaire straf op te leggen. De Raad is van oordeel dat de aard en ernst van de verweten gedraging zodanig zijn dat de opgelegde disciplinaire straf van ontslag daaraan niet onevenredig is te achten. Betrokkene was immers mede verantwoordelijk voor het debiteurenbeheer en heeft het in dat kader in hem te stellen vertrouwen ernstig beschaamd. Daarnaast is het aanzien van de openbare dienst door het niet integere gedrag van betrokkene geschaad.

4. Gezien al het voorgaande moet de aangevallen uitspraak worden vernietigd. De Raad zal voorts, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het inleidende beroep ongegrond verklaren.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en R. Kooper en

L.J.A. Damen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2008.

(get.) J.Th. Wolleswinkel.

(get.) R.B.E. van Nimwegen.

HD

10.01