Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2856

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-01-2008
Datum publicatie
28-01-2008
Zaaknummer
05-6781 WAO + 05-6790 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Geschiktheid geselecteerde functies. Vastgestelde belastbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/6781 WAO + 05/6790 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 12 oktober 2005, 05/396 en 05/1329 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.R. van der Veen, werkzaam bij Stichting Achmea Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld. Ter onderbouwing van het hoger beroepschrift is verwezen naar diverse bijlagen.

Het Uwv heeft een verweerschrift, met bijlagen, ingediend.

Bij schrijven van 14 augustus 2007, met bijlagen, heeft de gemachtigde van appellante een vraag van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2007. Appellante en haar gemachtigde zijn daarbij in persoon verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door G.M.M. Diebels.

II. OVERWEGINGEN

Appellante, die in verband met whiplash-klachten voor haar werkzaamheden als raadsvrouw Humanistisch Geestelijk Verzorging bij Defensie is uitgevallen, heeft sinds

1 september 1995 een arbeidsongeschiktheidsuitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Appellante is op 23 februari 2004 in het kader van de zogenoemde vijfdejaarsherbeoordeling onderzocht door de verzekeringsarts G.W.M. Pegt. Deze concludeerde op basis van dossieronderzoek, eigen onderzoek en na raadpleging van de behandelend huisarts P. Jongerius, dat de door appellante geclaimde lichamelijke klachten met name een psychische oorzaak hebben. Pegt heeft appellante in verband met haar klachten, die door hem als een somatoforme pijnstoornis zijn geduid, in algemene zin licht beperkt geacht ten aanzien van lichamelijke activiteiten. Pegt heeft bij zijn onderzoek geen aanwijzingen gevonden voor een stemmingsstoornis en ook niet voor de door appellante geclaimde concentratieklachten. De functionele mogelijkheden van appellante zijn door Pegt vastgelegd in een op 4 mei 2004 gedateerde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Appellante is door Pegt duurzaam belastbaar geacht voor arbeid.

De arbeidsdeskundige J.B.J. Stevens achtte appellante na arbeidskundig onderzoek ongeschikt om de maatmanfunctie te verrichten, maar concludeerde op grond van functieduiding dat er een verlies aan verdiencapaciteit resteerde van 64,60%.

Het Uwv heeft daarop bij besluit van 24 mei 2004 de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) per 25 juli 2004 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

Appellante heeft in bezwaar, onder verwijzing naar verscheidene stukken, de juistheid betwist van het aan dit besluit ten grondslag gelegd medisch oordeel. Appellante heeft onder meer verwezen naar een op 6 december 1998 gedateerde rapportage van psychiater prof. dr. H.J.C. van Marle, een op 11 januari 1999 gedateerde rapportage van klinisch psycholoog J.P.M. Hent, informatie van de behandelend huisarts Jongerius van

7 juli 2004 en informatie van de reumatologe Y. Schenk van 13 juli 2004.

Verder is door appellante gesteld dat het Uwv onvoldoende inzichtelijk gemaakt heeft dat zij de geduide functies zou kunnen verrichten.

De bezwaarverzekeringsarts H.J.M. Stammers heeft in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding gezien om af te wijken van het primaire verzekeringsgeneeskundige oordeel. Stammers heeft geen aanwijzingen gevonden voor het standpunt van appellante en Jongerius dat het appellante ontbreekt aan duurzaam benutbare mogelijkheden en dat appellante arthritis heeft. Verder heeft Stammers overwogen dat het gelet op de leeftijd van appellante normaal is dat zij enige artrose heeft, dat er geen indicatie is voor een duurbeperking en dat er geen aanwijzingen zijn voor actuele stoornissen in het cognitief functioneren.

De bezwaararbeidsdeskundige C.G.H.J. Habets heeft aanleiding gezien om de schatting, zoals verricht bij het primaire arbeidsdeskundig onderzoek, aan te passen in de zin dat alle functies van de aan de schatting ten grondslag gelegde SBC-code 516070 verworpen worden en van de SBC-code 315120, receptioniste/telefoniste de functie met het nummer 9431-0059-004. De schatting is door Habets vervolgens gebaseerd op de

SBC-code 342021, portier/toezichthouder, SBC-code 315120, telefonist/receptionist en SBC-code 515202, receptionist hotel, leidend tot een verlies aan verdiencapaciteit van 64,68%.

Het Uwv heeft bij besluit op bezwaar van 15 maart 2005, hierna: het bestreden besluit, zijn besluit van 24 mei 2004 gehandhaafd.

De rechtbank heeft zich kunnen vinden in de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.

Namens appellante is in hoger beroep vooreerst gesteld dat de uitspraak van de rechtbank op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen omdat het beginsel van hoor en wederhoor niet is toegepast.

Namens appellante is verder de juistheid van de aangevallen uitspraak betwist. Appellante heeft daartoe gesteld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek in bezwaar op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen omdat zij nooit door de bezwaarverzekeringsarts Stammers is gezien of gehoord. Voorts heeft appellante gesteld dat de rechtbank te weinig belang heeft toegekend aan de informatie van de behandelend huisarts en reumatologe, alsmede aan het rapport van Van Marle. Uit deze informatie volgt naar de mening van appellante dat een duurbeperking geïndiceerd is. In de FML is naar de mening van appellante verder ten onrechte geen rekening gehouden met haar concentratie- en geheugenproblemen.

Wat de arbeidskundige grieven betreft heeft appellante opgemerkt dat het Uwv onvoldoende gemotiveerd heeft dat de geduide functies, op onder meer niet-matchende beoordelingspunten, passend zijn te achten en dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het te verwachten ziekteverzuimrisico aanvaardbaar is. Tot slot heeft appellante gesteld dat het haar irreëel voorkomt dat er geen toeslag voorkomt in het loon van de functie “medewerker publiekservice 9u/wk”.

In verweer heeft het Uwv de Raad in hoger beroep nog enkele afschriften doen toekomen ter onderbouwing van zijn standpunt dat de beloning voor de functie medewerker publieksservice geen toeslag bevat voor het werken op afwijkende werktijden.

De Raad overweegt als volgt.

Met betrekking tot appellantes grief dat de uitspraak van de rechtbank op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen omdat het beginsel van hoor en wederhoor niet is toegepast, overweegt de Raad het volgende.

De Raad is uit de in hoger beroep namens appellante overgelegde stukken gebleken dat de gemachtigde van appellante bij schrijven van 30 augustus 2005 de rechtbank verzocht heeft om de behandeling van het geschil ter zitting op 6 september 2005 uit te stellen en een nieuwe datum voor een zitting te bepalen. De Raad stelt vast dat de rechtbank de gemachtigde van appellante bij brief van 31 augustus 2005 uitsluitend heeft medegedeeld dat de geplande behandeling ter zitting op 6 september 2005 van de zaak met het procedurenummer 05/1281 AW RA04 niet door zal gaan omdat de rechtbank Arnhem niet bevoegd is. In de brief van de rechtbank van 31 augustus 2005 wordt anders dan dat appellante veronderstelt geen inhoudelijke reactie gegeven op het namens appellante gedane verzoek om uitstel van de geplande behandeling ter zitting. De Raad is ook uit de op 31 augustus 2005 gedateerde telefoonnotitie van Achmea niet gebleken van andere toezeggingen. Er was voor appellante dan ook geen aanleiding om te veronderstellen dat haar zaak niet zou worden behandeld. De Raad concludeert derhalve dat van een schending van het beginsel van hoor en wederhoor geen sprake is en dat de uitspraak van de rechtbank op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen.

Wat de behandeling van de overige grieven van appellante betreft, overweegt de Raad het volgende.

De Raad is niet gebleken dat de medische grondslag van het bestreden besluit onjuist of onzorgvuldig is. Pegt heeft de in het kader van zijn onderzoek bij de behandelend huisarts Jongerius opgevraagde informatie beoordeeld en meegewogen bij de vaststelling van de functionele mogelijkheden van appellante. De bezwaarverzekeringsarts Stammers is uit de in bezwaar overgelegde informatie van de curatieve sector niet gebleken dat bij de vaststelling van de functionele mogelijkheden onvoldoende rekening gehouden is met de voor appellante uit fibromyalgie en andere klachten van het bewegingsapparaat voortkomende beperkingen. Stammers heeft ten aanzien van de door appellante geclaimde concentratie- en geheugenstoornissen opgemerkt dat Pegt bij zijn onderzoek geen actuele stoornissen in het cognitieve functioneren heeft kunnen vinden en dat de in 1998 (door psychiater prof. dr. Van Marle en klinisch psycholoog Hent) gevonden cognitieve stoornissen mild/matig waren en te verenigen zijn met de normaalwaarden in de FML. De Raad komt dit oordeel niet onjuist voor. De Raad is evenals Stammers van oordeel dat uit de informatie van reumatologe Schenk van 13 juli 2004 niet blijkt dat appellante arthritis heeft of dat een duurbeperking geïndiceerd is. De reumatologe merkt in haar verklaring immers expliciet op dat appellante geen arthritisverschijnselen heeft, noch bewegingsbeperkingen van gewrichten of wervelkolom. Verder wordt door haar alleen in zijn algemeenheid aangegeven dat bij fibromyalgiepatiënten de duurbelasting van de spieren vaak zeer beperkt is. Pegt heeft bij de omschrijving van de belastbaarheid echter rekening gehouden met de voor appellante uit fibromyalgie/somatoforme pijnstoornis voortvloeiende beperkingen op energetisch vlak. De Raad is uit de stukken en hetgeen is aangevoerd niet gebleken van de noodzaak voor een duurbeperking of voor verdergaande beperkingen op dit aspect.

De Raad heeft in de stukken en hetgeen is aangevoerd evenmin aanwijzingen gevonden dat de belastbaarheid van appellante ten aanzien van de concentratie en het geheugen zijn miskend. De door appellante geclaimde concentratie- en geheugenproblemen heeft Pegt niet kunnen objectiveren bij zijn onderzoek noch worden die problemen genoemd in de twee van de huisarts afkomstige verklaringen van 25 februari en 7 juli 2004. Appellante heeft in beroep en hoger beroep ook geen nieuwe informatie in geding gebracht waaruit zou blijken van zwaardere beperkingen.

De Raad merkt tot slot op dat nu de medische situatie van appellante voor de bezwaarverzekeringsarts Stammers duidelijk was en de in bezwaar verkregen medische informatie van de behandelende sector naar zijn oordeel geen nieuw licht wierp op de medische situatie van appellante, de bezwaarverzekeringsarts naar het oordeel van de Raad niet onzorgvuldig gehandeld heeft door af te zien van eigen onderzoek of horen. De Raad merkt overigens op dat appellante zelf heeft aangegeven af te zien van een hoorzitting.

Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad dat hem niet gebleken is dat de geduide functies niet berekend zijn voor de belastbaarheid van appellante. De Raad merkt in dit verband op dat in geen van de functies sprake is van de zogenaamde niet-matchende items.

De Raad overweegt voorts dat het Uwv in hoger beroep genoegzaam heeft aangetoond dat in het loon van de functie “medewerker publieksservice 9u/wk” geen toeslag vanwege het werken op afwijkende werktijden is inbegrepen. De niet nader onderbouwde stellingen van appellante dat het haar irreëel overkomt dat er geen toeslag is inbegrepen in het loon en dat dergelijke toeslagen vaak in CAO’s worden vastgelegd, maken dit naar het oordeel van de Raad niet anders.

Tot slot is de Raad uit de stukken niet gebleken dat het te verwachten ziekteverzuimrisico van appellante zo groot is dat van een werkgever in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij appellante te werk stelt. De Raad merkt in dit verband op dat de frequentie van de migraineaanvallen en de duur daarvan niet zodanig excessief zijn dat een dergelijke eis niet meer gesteld zou mogen worden. Voorts is uit de stukken niet gebleken dat appellante voorheen veelvuldig is uitgevallen in verband met die migraineklachten.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten,voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.W.J. Schoor en H.G. Rottier als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2008.

(get.) H. Bolt.

(get.) I.R.A. van Raaij.

JL