Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2851

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-01-2008
Datum publicatie
28-01-2008
Zaaknummer
05/6485 AW e.a.
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag ambtenaar wegens zeer ernstig plichtsverzuim. Schorsing. Inhouding bezoldiging van betrokkene met onmiddellijke ingang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2008/94
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/6485 AW, 05/6486 AW, 05/6487 AW, 05/6472 AW, 05/6473 AW,

05/6474 AW en 05/2170 AW.

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[betrokkene], (hierna: betrokkene),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 24 februari 2005, 03/1351 (hierna: aangevallen uitspraak 1),

en van betrokkene en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoorn (hierna: college),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 7 september 2005, 05/23 tot en met 05/25 (hierna: aangevallen uitspraak 2),

in de gedingen tussen:

betrokkene

en

het college

Datum uitspraak: 10 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak 1. Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Tegen de aangevallen uitspraak 2 hebben beide partijen hoger beroep ingesteld. Over en weer hebben beide partijen een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2007, waar betrokkene in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. A.F.R. Avis, werkzaam bij SRK Rechts-bijstand. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V.H. Affourtit, advocaat te Amsterdam. Voor het college was tevens aanwezig [naam ], werkzaam bij de gemeente Hoorn. Op verzoek van betrokkene is als getuige gehoord [getuige], voormalig hoofd van de sector Ruimte van de gemeente Hoorn en in die functie voormalig leidinggevende van betrokkene.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraken. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Betrokkene was werkzaam in de functie van projectleider bij de afdeling Stadsontwikkeling van de sector Ruimte van de gemeente Hoorn. In die functie had betrokkene te maken met aanbestedingen van bouwprojecten en fungeerde hij als tussenschakel tussen de gemeente en het bedrijfsleven. Na een intern onderzoek, waarbij onder meer naar voren was gekomen dat betrokkene mogelijk valsheid in geschrift had gepleegd, is betrokkene bij besluit van 8 mei 2002 op grond van artikel 8:15:1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkings-overeenkomst van de gemeente Hoorn (CAR/UWO) met onmiddellijke ingang voor de duur van een in te stellen onderzoek geschorst in het belang van de dienst, met behoud van bezoldiging. Bij besluit van 13 mei 2003 heeft het college deze schorsing verlengd tot 1 oktober 2003. Na bezwaar is dit verlengingsbesluit gehandhaafd bij het bestreden besluit van 16 september 2003.

1.2. Het daartegen ingestelde beroep is ongegrond verklaard bij de aangevallen

uitspraak 1. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat er voldoende nieuwe informatie beschikbaar was gekomen om de verdenking van betrokkenheid bij bouwfraude te rechtvaardigen en dat gezien de ernst van deze fraude het college na afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid heeft kunnen besluiten de verlenging van de schorsing tot 1 oktober 2003 te handhaven.

1.3. Naar aanleiding van in de media verschenen berichten over mogelijk niet integer handelen van ambtenaren en bestuurders van de gemeente Hoorn, heeft het college besloten Deloitte Bijzonder Onderzoek & Integriteitsadvies in te schakelen voor een nader onderzoek. Na van deze instantie een rapport te hebben ontvangen, heeft het college bij brief van 15 april 2004 aan betrokkene het voornemen kenbaar gemaakt om hem wegens zeer ernstig plichtsverzuim onder toepassing van artikel 8:13 van de CAR/UWO met ingang van 1 mei 2004 de disciplinaire straf van ontslag op te leggen. Voorts heeft het college op grond van artikel 8:15:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de CAR/UWO betrokkene met onmiddellijke ingang geschorst. Tevens heeft het college besloten de bezoldiging van betrokkene met onmiddellijke ingang geheel in te houden op grond van artikel 8:15:2, tweede lid, van de CAR/UWO.

1.4. Bij besluit van 4 mei 2004 heeft het college betrokkene op grond van artikel 16:1:1 en 8:13 van de CAR/UWO de disciplinaire straf van ontslag opgelegd met ingang van

10 mei 2004.

Het aan betrokkene verweten plichtsverzuim betreft:

1) het plegen van valsheid in geschrift door in een periode van 13 maanden 19 brieven met opdrachten aan bouwbedrijven te ondertekenen terwijl betrokkene wist dat hij daartoe niet bevoegd was;

2) het afleggen van bordeelbezoek met medewerkers van bouwbedrijven;

3) het onderhouden van te nauwe contacten met bouwbedrijven.

1.5. Na bezwaar zijn de voornoemde besluiten tot schorsing en inhouding van de bezoldiging alsmede het besluit tot strafontslag gehandhaafd bij afzonderlijke bestreden besluiten van 14 december 2004.

1.6. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank de daartegen ingestelde beroepen, voor zover thans in hoger beroep van belang, ongegrond verklaard. De rechtbank heeft voldoende aannemelijk geacht dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift en aan bordeelbezoek in aanwezigheid van medewerkers van bouwbedrijven. De rechtbank was echter tevens van oordeel dat niet is vast komen te staan dat betrokkene zodanig buitensporige contacten met bouwbedrijven had dat, gegeven de binnen de gemeente Hoorn algemeen heersende cultuur destijds, moet worden geoordeeld dat sprake is geweest van plichtsverzuim. Niettemin kon het strafontslag naar het oordeel van de rechtbank standhouden.

A. Het hoger beroep van betrokkene

2.1. Betrokkene wordt onder meer verweten dat hij in een periode van 13 maanden, terwijl hij wist dat hij tot ondertekening daarvan niet bevoegd was, onder niet minder dan 19 opdrachtbrieven de naam heeft geplaatst van de functionaris die tot ondertekening wel bevoegd was, dat hij deze brieven vervolgens zonder toestemming van of zelfs maar overleg met de bevoegde functionaris zelf heeft ondertekend en verzonden en dat hij aldus valsheid in geschrift heeft gepleegd. Tevens wordt betrokkene verweten dat hij vervolgens de administratieve controle (verder) heeft belet door afschriften van deze brieven in zijn bureaulade te bewaren, zodat de door hem onbevoegd tot stand gebrachte verbintenissen binnen de gemeentelijke organisatie pas bekend werden toen aanmaningen werden ontvangen en de werkzaamheden al waren of werden uitgevoerd.

2.2. De Raad stelt allereerst vast dat betrokkene bij herhaling heeft erkend dat hij wist niet gemandateerd te zijn om de brieven te ondertekenen. In deze zin heeft betrokkene al verklaard tijdens het eerste interne onderzoek. Ook tijdens de zitting van de politierechter van de rechtbank Alkmaar heeft betrokkene dit erkend. Bovendien heeft betrokkene ter zitting van de Raad verklaard dat hem geen duidelijke mandaatregeling bekend was maar dat hij wel wist dat hij formeel niet tot ondertekening van de opdrachtbrieven bevoegd was. Het mogelijk ontbreken van een heldere mandaatregeling betekent naar het oordeel van de Raad geenszins dat betrokkene ervan uit mocht gaan dat hij bevoegd was om de brieven te ondertekenen. Bovendien acht de Raad van belang dat betrokkene op deze brieven, blijkens de door hem bewaarde afschriften daarvan, onder meer heeft vermeld: “v.d.” of “w.g.”, daarmee ten onrechte de suggestie wekkend dat de directeur zelf besloten had de opdracht te verlenen en hij bevoegd voor de directeur tekende, of dat de directeur zelf een exemplaar van de brief had getekend. De Raad acht ook voldoende aannemelijk dat betrokkene de brieven bewust in zijn bureaulade heeft achtergehouden, aangezien deze pas bekend werden nadat een onderzoek was gestart naar de achterliggende opdrachten van verscheidene door de gemeente ontvangen facturen van opdrachtnemers. Overigens tekent de Raad hierbij nog aan dat betrokkene bij vonnis van 8 december 2003 van de politierechter is veroordeeld voor valsheid in geschrift, waartegen hij geen hoger beroep heeft ingesteld.

2.3. De op de zitting van de Raad gehoorde getuige is indertijd werkzaam geweest als directeur VROM, de afdeling waar betrokkene laatstelijk werkzaam was. De naam van deze getuige is in de ondertekening vermeld op 10 van de 19 brieven. Aan zijn ter zitting afgelegde verklaring, die ertoe strekt dat het algemeen bekend was dat het binnen de afdeling waar betrokkene werkzaam was vaker voorkwam dat niet de directeur brieven met kleine tot middelgrote opdrachten ondertekende, kan niet de betekenis worden toegekend die betrokkene daaraan gehecht wil zien. Daartoe heeft de Raad overwogen dat deze verklaring ziet op een periode dat de getuige nog niet werkzaam was als directeur VROM en dat hij ook nog heeft verklaard dat volgens de zogenoemde “Bedrijven-verordening” alléén directeuren tekeningsbevoegd waren en niemand anders. Tevens heeft deze getuige verklaard dat praktijk was geworden dat afdelingshoofden om redenen van praktische aard voor kleine bedragen mochten ondertekenen. Als voorbeeld werd een pak spijkers genoemd. In de desbetreffende brieven gaat het echter om opdrachten van aanzienlijk grotere omvang. Gelet op een en ander kan de verklaring van deze getuige naar het oordeel van de Raad geen rechtvaardiging opleveren voor de handelwijze van betrokkene. Deze verklaring bevestigt bovendien niet dat de leidinggevende van betrokkene ermee instemde dat betrokkene de brieven zelf ondertekende op de wijze waarop hij dat heeft gedaan.

2.4. Mede gezien het voorgaande ziet de Raad voorts geen aanleiding het verzoek van betrokkene, om ten aanzien van het hiervoor besproken plichtsverzuim nog andere getuigen op te roepen, te honoreren. Het verzoek van betrokkene van 1 oktober 2007 betreft een tweetal oud-wethouders, een gemeentesecretaris, de voormalig directeur van de afdeling Centrale Ondersteuning, nog steeds werkzaam op het stadhuis, en een voormalig directeur VROM. Laatstgenoemde is op de zitting van de Raad gehoord, zoals hierboven is weergegeven. Het verzoek van betrokkene is erop gericht dat aannemelijk wordt gemaakt dat zijn handelwijze binnen de gemeente bekend en aanvaard was. De Raad stelt vast dat de personen waarop het verzoek van betrokkene (afgezien van de ter zitting gehoorde voormalige directeur VROM) ziet niet de directeuren zijn in naam van wie betrokkene de brieven heeft ondertekend en tot wie betrokkene in een gezagsrelatie stond. Dus ook al zouden de getuigen in de door betrokkene gewenste zin verklaren, dan nog kan daaraan niet de door betrokkene gewenste waarde worden toegekend. De ver-klaring van de wèl gehoorde getuige biedt, zoals eerder overwogen, geen steun voor het standpunt van betrokkene.

2.5. Betrokkene heeft er voorts op gewezen dat één van de op te roepen oud-wethouders in het bijzonder zou kunnen verklaren over de door betrokkene ondertekende opdrachten ten aanzien van de Jules Verne school. Dit betreft echter slechts een beperkt aantal van de 19 brieven. De Raad stelt vast dat indien dat aantal buiten beschouwing wordt gelaten nog 15 brieven overblijven waarbij valsheid in geschrift is gepleegd. De andere oud- wethouder zou in het bijzonder kunnen getuigen in relatie tot de bouw van de schouwburg. Onder de desbetreffende brieven bevinden zich echter geen stukken die uitdrukkelijk deze schouwburg noemen. Gelet op het voorgaande is de Raad van oordeel dat het horen van deze getuigen redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

2.6. Voorts overweegt de Raad dat niet is gebleken dat het hiervoor besproken plichtsverzuim niet aan betrokkene kan worden toegerekend. Het college was dan ook bevoegd tot het opleggen van een disciplinaire straf. De gedragingen van betrokkene waarom het hierbij gaat, zijn aan te merken als zeer ernstig plichtsverzuim waardoor schade is toegebracht aan het imago van de gemeente. Gelet op de grote betekenis die om redenen van algemeen belang moet worden gehecht aan de betrouwbaarheid en onkreukbaarheid van juist ook de ambtenaar die, zoals betrokkene, als tussenschakel tussen de overheid en het bedrijfsleven fungeert, is de Raad evenals het college van oordeel dat reeds gelet op de door betrokkene gepleegde valsheid in geschrift, de straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig is aan de aard en de ernst van het plichtsverzuim. Gelet hierop zal de Raad de overige aan betrokkene verweten gedragingen onbesproken laten.

2.7. Ten aanzien van de inhouding van de bezoldiging en de schorsing tot aan het ontslag heeft betrokkene geen afzonderlijke grieven aangevoerd. Namens betrokkene is ter zitting bevestigd dat hij ter zake geen afzonderlijke grieven heeft. In dit opzicht slaagt het hoger beroep dus evenmin.

2.8. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak 1 het bestreden besluit waarbij de verlenging van de schorsing tot 1 oktober 2003 is gehandhaafd, in stand gelaten. Ook ter zake van dit beroep is ter zitting door betrokkene bevestigd dat er geen afzonderlijke grieven zijn, zodat ook dit hoger beroep faalt.

B. Het hoger beroep van het college

3. Het college heeft zowel in zijn hoger beroepschrift als ter zitting benadrukt dat hoger beroep is ingesteld voor het geval de Raad zou instemmen met de door betrokkene aangevoerde beroepsgronden en dit zou moeten leiden tot vernietiging van de bestreden besluiten. Aangezien dit niet het geval is, behoeft het beroep van het college geen bespreking.

4. Gelet op al het voorgaande treffen de hoger beroepen geen doel. De aangevallen uitspraak 1 moet worden bevestigd. De aangevallen uitspraak 2 komt, voor zover aangevochten, eveneens voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak 1;

Bevestigt de aangevallen uitspraak 2, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en R. Kooper en

A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J.H. van Baalen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2008.

(get.) J.Th. Wolleswinkel.

(get.) M.J.H. van Baalen.

HD

14.01.