Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2845

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-01-2008
Datum publicatie
28-01-2008
Zaaknummer
06-5965 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag om zekere betalingsverplichtingen van de werkgever op grond van hoofdstuk IV van de WW over te nemen. Opzegtermijn. Herhaalde aanvraag. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5965 WW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 31 augustus 2006, 06/759 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 januari 2008.

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2007. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. van Dam, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1.0. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

1.1. Appellant, geboren in 1944, was sinds 1963 werkzaam voor [naam BV] B.V., laatstelijk in de functie van general manager. De werkgever is op 24 april 2003 in staat van faillissement verklaard. Appellant heeft bij het Uwv een aanvraag ingediend om zekere betalingsverplichtingen van zijn werkgever op grond van hoofdstuk IV van de WW over te nemen. Het Uwv heeft daarop bij besluit van 4 juli 2003 beslist en daarbij de opzegtermijn als bedoeld in artikel 64, aanhef en onder b, van de WW op zes weken gesteld. Tegen dat besluit is geen bezwaar gemaakt.

1.2. Appellant stelt dat uit de uitspraak van de Raad van 27 april 2005, LJN AT4656, RSV 2005/215 en USZ 2005/267, voortvloeit dat voor hem een langere opzegtermijn geldt en heeft het Uwv bij brief van 12 september 2005 verzocht opnieuw de opzegtermijn vast te stellen. Bij het op bezwaar gegeven besluit van 19 januari 2006 (het bestreden besluit) heeft het Uwv appellant, onder verwijzing naar artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), te kennen gegeven dat zijn verzoek om terug te komen van het rechtens onaantastbare besluit van 4 juli 2003 afgewezen. Volgens het Uwv kan voormelde uitspraak van de Raad niet als nieuw feit of nieuwe omstandigheid worden aangemerkt als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.

2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het standpunt van het Uwv gevolgd dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

3. De Raad staat voor de beantwoording van de vraag of de rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel met betrekking tot het bestreden besluit. Die vraag beantwoordt de Raad bevestigend. Hij heeft daartoe het volgende overwogen.

3.1.1. Appellant heeft gesteld dat bij gelegenheid van het indienen van voormelde aanvraag twee medewerkers van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tegen hem hebben gezegd dat het maken van bezwaar tegen de vaststelling van de opzegtermijn op zes weken geen enkele zin had. Appellant heeft om die reden geen bezwaar ingesteld tegen het besluit van 4 juli 2003. Appellant betoogt dat hij er aldus van is afgehouden om bezwaar in te stellen.

3.1.2. Voor zover dit betoog ertoe strekt dat het verzoek om terug te komen van het besluit van 4 juli 2003 door het Uwv had moeten worden aangemerkt als een bezwaarschrift tegen dat besluit en dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, overweegt de Raad als volgt.

3.1.3. Op grond van artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van bezwaar zes weken. Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van die termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkheid op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

3.1.4. Naar het oordeel van de Raad kan verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding niet worden aangenomen. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat appellant, zoals hij heeft gesteld, van de curator had vernomen dat bij de berekening van de opzegtermijn voor boven 45-jarigen een langere opzegtermijn gold. Aannemende dat bedoelde medewerkers in verband met de opzegtermijn inderdaad tegen appellant hebben verklaard dat ‘het Uwv bepaalt en het Uwv betaalt’ en dat het instellen van bezwaar geen enkele zin had, kan de Raad daaruit niet afleiden dat appellant is afgehouden van het instellen van bezwaar. Onder het besluit is een bezwaarclausule vermeld waaruit appellant had moeten afleiden dat hij dat besluit binnen zes weken kon aanvechten. Gelet op de informatie van de curator was er, naar het de Raad voorkomt, temeer reden om van die mogelijkheid gebruik te maken. Zonodig had appellant, die al bij brief van 6 mei 2003 door het Uwv was geïnformeerd over de opzegtermijn, zich elders kunnen laten informeren omtrent zijn rechtspositie.

3.2.1. In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

3.2.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd. De uitspraak van de Raad van 27 april 2005 kan op zichzelf niet worden aangemerkt als een feit of omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Daarbij moet het immers gaan om feiten en omstandigheden die betrekking hebben op het oorspronkelijke besluit en daarvan is hier geen sprake. De Raad voegt daaraan nog toe dat volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer zijn uitspraak van 21 maart 2001, LJN AB1691, RSV 2001/151) als uitgangspunt dient dat het enkele feit dat uit een later gedane rechterlijke uitspraak blijkt dat een besluit berust op een onjuiste uitleg of verkeerde toepassing van een wettelijk voorschrift, voor risico blijft van de betrokkene die in dat besluit heeft berust.

3.2.3. Op grond van het vorenstaande was het Uwv op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb bevoegd het verzoek van appellant af te wijzen, waarbij de Raad nog opmerkt dat de hier aan de orde zijnde aanspraak van appellant geen duuraanspraak betreft. In hetgeen door appellant is gesteld ziet de Raad geen grond te oordelen dat het Uwv niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.1. Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4.2. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen. De beslissing is in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier uitgesproken in het openbaar op 2 januari 2008.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) P. Boer.

27/11

SG