Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2844

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-01-2008
Datum publicatie
28-01-2008
Zaaknummer
05-6114 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Medische beoordeling door niet als verzekeringsarts geregistreerde arts.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2008, 137 met annotatie van A. Tollenaar
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/6114 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 september 2005, 05/1381 (hierna: de aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).

Datum uitspraak: 11 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K. de Bie, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en tot twee maal een aanvulling gegeven.

Namens appellante zijn de beroepsgronden verder aangevuld bij brief 16 november 2007.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2007. Namens appellante is daar mr. De Bie verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.H.A.H. Smithuysen.

II. OVERWEGINGEN

Het inleidende beroep is gericht tegen het besluit van 24 december 2004. Daarbij is gehandhaafd het besluit van 5 augustus 2003 tot de intrekking van de eerder aan appellante toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering met ingang van 5 september 2003. Hieraan ligt ten grondslag dat appellante weliswaar om medische redenen niet langer haar werk als schoonmaakster kan verrichten, maar met gangbare arbeid net zo veel kan verdienen als het (geïndexeerde) loon als schoonmaakster.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante terecht aangevoerd dat het aan het besluit van

5 augustus 2003 voorafgegane verzekeringsgeneeskundige onderzoek niet is uitgevoerd door een geregistreerd verzekeringsarts.

In bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts geen eigen (lichamelijk) onderzoek verricht. Hij was tijdens de hoorzitting niet aanwezig. Wel heeft hij informatie opgevraagd en verkregen van de huisarts van appellante.

Zoals blijkt uit de uitspraken van de Raad van 18 juli 2007, LJN BA 9904, BA 9905, BA 9908, BA 9909 en BA 9910 kan aan een onderzoek door een niet als verzekeringsarts geregistreerde arts niet dezelfde waarde worden toegekend als aan een onderzoek door een geregistreerde verzekeringsarts. Registratie als verzekeringsarts staat in beginsel borg voor een zekere kwaliteit. Zolang die registratie nog niet heeft plaatsgevonden kan er in beginsel niet van worden uitgegaan dat het onderzoek van de (nog) niet als verzekeringsarts geregistreerde arts diezelfde kwaliteit bezit. Een dergelijk gebrek kan echter in de bezwaarfase worden hersteld indien in die fase een beoordeling plaatsvindt door een wel als zodanig geregistreerd arts. Een lichamelijk onderzoek zal daarbij niet steeds noodzakelijk zijn, maar aan de andere kant zal in die fase van de besluitvorming als regel dossieronderzoek dan niet volstaan, ter heling van het bedoelde gebrek.

De arts D. Asfar is op basis van in wezen onveranderde diagnose en klachten tot een aanmerkelijk andere inschatting van de daaruit voor appellante voortvloeiende arbeidsbeperkingen gekomen dan de verzekeringsarts die eerder zijn oordeel had gegeven. De inlichtingen van de huisarts bevestigen dat de klachten van appellante in grote lijnen ongewijzigd zijn. In bezwaar hebben twee artsen, niet zijnde geregistreerde verzekeringsartsen, aan de hand van het dossier en de informatie van de huisarts een rapport opgesteld dat mede is ondertekend door de bezwaarverzekeringsarts. Daarmee is naar het oordeel van de Raad het hiervoor gesignaleerde gebrek niet hersteld. Anders dan in de uitspraken van de Raad van 18 september 2007 (LJN BB 3884) en 25 september 2007 (LJN BB 4271) waarop het Uwv zich heeft beroepen, is in dit geval niet afdoende onderbouwd waarom oproeping voor het spreekuur van de bezwaarverzekeringsarts achterwege kon blijven.

Het bestreden besluit is derhalve in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht tot stand gekomen. De aangevallen uitspraak kan niet in stand blijven. De overige beroepsgronden kunnen daarmee buiten bespreking blijven.

De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante, wegens de haar verleende rechtsbijstand begroot op € 322,- voor het geding bij de rechtbank en € 644,- voor het geding in hoger beroep.

Omdat thans nog niet valt te overzien of het besluit van 5 augustus 2003 zal worden herroepen, kan de Raad in dit stadium geen beslissing nemen over de vergoeding van de kosten van het bezwaar. Het Uwv zal dit in zijn nadere beslissing op het bezwaar eveneens dienen te bezien.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 24 december 2004;

Draagt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op om, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van appellante;

Veroordeelt Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het door haar gestorte griffierecht tot een bedrag van € 140,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en

J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2008.

(get.) D.J.van der Vos.

(get.) W.R.de Vries.

HS