Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2832

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-01-2008
Datum publicatie
28-01-2008
Zaaknummer
06-2771 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schatting WAZ-uitkering. Vastgestelde beperkingen. Duurzaam benutbare mogelijkheden. Motivering besluit. Rechtsgevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2771 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 23 maart 2006, 05/773

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Staal, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2007. Appellant is, met schriftelijk bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.J.M.H. Lagerwaard.

II. OVERWEGINGEN

Appellant, die gedurende circa 70 uur per week werkzaam was als mede-eigenaar en taxichauffeur van Taxibedrijf [naam bedrijf] Vof, heeft zijn werkzaamheden in verband met psychische klachten per 1 augustus 2001 gestaakt. Aan appellant is met ingang van

31 juli 2002 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Op 30 juni 2004 is appellant onderzocht door verzekeringsarts D.O.H. Reifenschweiler. Deze arts is tot de conclusie gekomen dat appellant lijdt aan een burnout-syndroom, maar dat hij wel beschikt over duurzaam benutbare mogelijkheden. De beperkingen die appellant ondervindt ten aanzien van persoonlijk en sociaal functioneren zijn weergegeven in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). De verzekeringarts heeft inlichtingen ingewonnen bij appellants behandelend psychotherapeut

R.F.H. van Roosmalen en heeft in de ontvangen informatie een bevestiging gevonden voor zijn bevindingen. Arbeidskundig onderzoek heeft geleid tot de conclusie dat appellant met inachtneming van zijn beperkingen in staat is functies te vervullen waarmee hij een zodanig inkomen kan verwerven dat sprake is van een verlies aan verdiencapaciteit van 46,97%. Overeenkomstig deze bevindingen heeft het Uwv bij besluit van 25 augustus 2004 de WAZ-uitkering van appellant met ingang van 26 oktober 2004 herzien en vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 25 augustus 2004. Bezwaarverzekeringsarts C.H.M. Heeskens-Reijnen, die de hoorzitting heeft bijgewoond waar appellant zijn bezwaren nader heeft toegelicht, heeft aanleiding gevonden een psychologische expertise te laten verrichten. Op haar verzoek heeft psycholoog

drs. P.A.M. Delsing onderzoek verricht, waarvan op 24 maart 2005 rapport is uitgebracht. Aan de hand van de bevindingen en conclusies van het expertise-rapport heeft de bezwaarverzekeringsarts extra beperkingen opgenomen in de rubrieken 1 (persoonlijk functioneren) en 2 (sociaal functioneren) van de FML. Bezwaararbeidsdeskundige

P.M.J. Kursten heeft aan de hand van de aangescherpte FML de voor appellant geselecteerde functies beoordeeld en is daarbij tot de conclusie gekomen dat enkele functies niet geschikt zijn. De overige functies, waaronder die van productiemedewerker filetafdeling (SBC-code 111172), bestucker (SBC-code 111180) alsmede coupeuse en stikster (behorende tot de SBC-code 272043), zijn wel in overeenstemming geacht met de belastbaarheid van appellant. De uit deze functies voortvloeiende verdiencapaciteit leidt ongewijzigd tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Bij het besluit van 27 april 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 25 augustus 2004 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant zich primair op het standpunt gesteld dat hij geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft en subsidiair dat de FML op diverse punten aanscherping behoeft. Onder verwijzing naar het rapport van psycholoog Delsing is appellant van mening dat in de FML op de onderdelen omgaan met conflicten, hanteren van emotionele problemen van anderen en werken onder tijdsdruk een beperking is aangenomen, terwijl hij op die onderdelen in het geheel niet belastbaar is.

Op andere onderdelen van de FML, waaronder handelingstempo, concentratie en omgang met anderen zijn onvoldoende beperkingen aangenomen. Voorts heeft appellant aangevoerd dat hij als gevolg van de gebruikte antidepressiva duizeligheidsklachten ondervindt en dat daarmee geen rekening is gehouden omdat in de FML geen beperking is opgenomen ten aanzien van persoonlijk risico. Appellant is tevens van mening dat in alle geselecteerde functies sprake is van overschrijding van zijn belastbaarheid gelet op de daarin voorkomende eisen in verband met concentratie, handelingstempo, deadlines en productiepieken, geheugen en/of het werken in een hectische omgeving.

De Raad overweegt het volgende.

In hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd heeft de Raad geen aanknopingspunt gevonden om te oordelen dat er ten onrechte vanuit is gegaan dat appellant beschikt over duurzaam benutbare mogelijkheden. Voorts is de Raad van oordeel dat in de door de bezwaarverzekeringsarts aangescherpte FML voldoende rekening is gehouden met de beperkingen van appellant.

In de FML zijn forse beperkingen opgenomen ten aanzien van het hanteren van emotionele problemen van anderen en het omgaan met conflicten. Het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts dat deze beperkingen in voldoende mate recht doen aan de beperkte psychische belastbaarheid van appellant heeft zij naar het oordeel van de Raad in haar rapportage van 26 juni 2006 naar behoren toegelicht.

Voorts zijn in de FML als specifieke voorwaarden voor het persoonlijk functioneren in arbeid opgenomen dat appellant is aangewezen op werk zonder veelvuldige storingen en onderbrekingen alsmede zonder veelvuldige deadlines of productiepieken. De Raad is niet gebleken dat met deze voorwaarden onvoldoende rekening is gehouden met de beperkingen van appellant ten aanzien van het werken onder tijdsdruk en in een hectische werkomgeving. Dit geldt eveneens voor de beperking die in de FML door middel van een toelichting van de verzekeringarts is opgenomen dat appellant geen hoog handelingstempo aan kan. De bezwaarverzekeringsarts heeft in haar rapportage 26 juni 2006 toegelicht dat zij op die wijze een vertaling heeft gemaakt van de bevinding van psycholoog Delsing dat het handelingstempo van appellant is vertraagd. De Raad acht deze toelichting toereikend. Hoewel ten aanzien van het handelingstempo in de FML geen specifieke beperking is opgenomen in rubriek 1 onderdeel 9 onder 8, het aangewezen zijn op werk waarin geen hoog handelingstempo is vereist, heeft bezwaararbeidsdeskundige Kursten blijkens zijn rapportage van 3 juli 2006 beoordeeld of de functies een hoog handelingstempo vereisen en geconcludeerd dat deze functies voldoen aan de beperking die wordt opgenomen onder 1.9.8. van de FML.

Ten slotte zijn naar het oordeel van de Raad de overige door psycholoog Delsing aangegeven beperkingen van appellant, waaronder die van structuur, concentratie en omgang met anderen in voldoende mate weergegeven in de FML op de onderdelen concentreren, herinneren, zelfstandig handelen, samenwerken en de daarin opgenomen specifieke voorwaarden voor het sociaal functioneren in arbeid.

De grief van appellant dat ten onrechte geen rekening is gehouden met zijn duizeligheidsklachten als gevolg van de gebruikte medicatie kan de Raad niet onderschrijven. In dat verband heeft de bezwaarverzekeringsarts in haar rapport van

11 april 2005 overwogen dat appellant de medicatie al langere tijd gebruikt en dat er geen problemen ten aanzien van appellants alertheid zijn vastgesteld. Bovendien heeft zij erop gewezen dat appellant gewoon in zijn auto rijdt. Daarbij merkt de Raad op dat uit het rapport van psycholoog Delsing niet blijkt dat appellant tijdens dat onderzoek melding heeft gemaakt van negatieve effecten van de gebruikte medicatie.

Zoals de Raad eerder tot uitdrukking heeft gebracht, waaronder in zijn uitspraak van

23 februari 2007, LJN: AZ9158, moet in beginsel worden uitgegaan van de juistheid van de kenmerkende belasting van de werkzaamheden zoals deze in het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) zijn opgenomen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd heeft de Raad geen reden gevonden om aan te nemen dat de hiervoor genoemde drie functies, die aan de schatting ten grondslag hebben gelegen, een hogere belasting hebben dan in het formulier resultaat functiebeoordeling is weergegeven. Naar het oordeel van de Raad heeft bezwaararbeidsdeskundige Kursten in de rapportages van 3 juli 2006,

2 januari 2007 en 6 november 2007 in voldoende mate toegelicht dat de belasting van deze functies de beperkte belastbaarheid van appellant ook op de onderdelen concentratie, handelingstempo, deadlines en productiepieken, geheugen en het werken in een hectische omgeving niet overschrijdt.

De Raad stelt vast dat het (vóór 1 juli 2005) genomen bestreden besluit eerst in hoger beroep bij de rapportages van 3 juli 2006, 2 januari 2007 en 6 november 2007 van de bezwaararbeidsdeskundige is voorzien van een voldoende inzichtelijke en toetsbare motivering als bedoeld in de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 (onder meer LJN: AR4716) en 12 oktober 2006 (onder meer LJN: AY9971). Het bestreden besluit alsmede de aangevallen uitspraak komen derhalve voor vernietiging in aanmerking. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ziet de Raad aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

Nu de Raad zal bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven, bestaat geen aanleiding het verzoek om veroordeling van het Uwv tot vergoeding van wettelijke rente in te willigen.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 644,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot

€ 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 140,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter en J.F. Bandringa en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2008.

(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.

(get.) I.R.A. van Raaij.

GdJ