Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2828

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-01-2008
Datum publicatie
28-01-2008
Zaaknummer
05-574 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Zorgvuldigheid medisch onderzoek. Vastgestelde belastbaarheid. Schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/574 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 23 december 2004, 02/4165 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H.M.L. Brands, advocaat te Alphen aan den Rijn, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, aangevuld bij brief van 4 mei 2005 met een reactie van de bezwaarverzekeringsarts H. Gruil.

Door de Raad desverzocht heeft prof. dr. G.F. Koerselman, als psychiater verbonden aan het Universitair Medisch Centrum Utrecht, bij rapport van 17 juli 2007 van verslag en advies gediend.

Partijen hebben op dit rapport gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Brands. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door C. Schravesande.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 1 oktober 2002 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het besluit van

4 maart 2002 gehandhaafd waarbij per 27 april 2002 de aan appellante laatstelijk naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% verleende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is ingetrokken.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Deze heeft de psychiater E.F. van Ittersum als deskundige geraadpleegd. Diens bij rapport van

17 december 2003 getrokken conclusie dat appellante per 27 april 2002 in staat moest worden geacht haar eigen werk van consulente/intercedente gedurende 40 uur per week te verrichten is door appellante bij de rechtbank bestreden middels overlegging van een rapport van 28 mei 2004 van de psychiater H. de Jong. Deze is tot de conclusie gekomen dat appellante per 27 april 2002 niet in staat was haar werkzaamheden van consulente/intercedente te verrichten. De psychiaters Van Ittersum en De Jong hebben respectievelijk bij brieven van 9 augustus 2004 en 24 augustus 2004 hun rapporten toegelicht en hun conclusies gehandhaafd.

De rechtbank heeft onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Raad (onder meer de uitspraak van 21 september 1999, USZ 1999, 298) overwogen dat het oordeel van een onafhankelijke deskundige in beginsel gevolgd dient te worden, tenzij zich de bijzondere omstandigheid voordoet dat uit de reactie van die deskundige op een andersluidend oordeel van een door een partij ingeschakelde deskundige moet worden afgeleid dat hij zijn eigen oordeel niet serieus heeft overwogen. Naar het oordeel van de rechtbank doet zich een dergelijke bijzondere situatie in de onderhavige zaak niet voor.

In hoger beroep heeft appellante doen aanvoeren dat de rechtbank de gemotiveerde en onderbouwde kritiek van haar zijde, verwoord door de psychiater De Jong, in het bijzonder in zijn brief van 24 augustus 2004, niet had mogen passeren met de enkele opmerking dat de rechtbank geen grond heeft om aan te nemen dat het onderzoek van Van Ittersum niet volledig is geweest.

De Raad volgt appellante in zoverre hierin dat de inhoud van de brief van

24 augustus 2004 van psychiater De Jong de rechtbank aanleiding had behoren te geven om de deskundige Van Ittersum nogmaals om een toelichting te vragen, zulks mede gelet op de omstandigheid dat de deskundige Van Ittersum, na van de zijde van appellante gewezen te zijn op een aantal feitelijke onjuistheden in zijn rapport van

17 december 2003, die heeft aanvaard en de rechtbank bij brief van 9 augustus 2004 heeft verzocht zijn rapport met inachtneming van de door appellante aangebrachte correcties te lezen.

Uit een oogpunt van finale geschilbeslechting heeft de Raad het aangewezen geacht zich omtrent de hier voorliggende vraag of de medische situatie van appellante op

27 april 2002 onverenigbaar was met het verrichten van haar eigen werk van consulente door de als deskundige geraadpleegde psychiater Koerselman te laten voorlichten. Deze heeft blijkens zijn rapport van 17 juli 2007 appellante onderzocht en kennis genomen van alle omtrent appellante beschikbare medische gegevens, waaronder voormelde rapportages van de psychiaters Van Ittersum en De Jong. Op basis hiervan heeft deze deskundige als zijn conclusie gegeven dat het Uwv in navolging van de (bezwaar)verzekeringsartsen ten onrechte bij de arbeidsongeschiktheidsschatting niet heeft aanvaard dat ten tijde hier in geding appellante in die zin beperkingen ondervond in haar psychische belastbaarheid, dat zij tevens beperkt was in haar vermogen tot samenwerken, conflicthantering en het houden van overzicht. Op basis van de zich onder de gedingstukken bevindende beschrijving van appellantes werkzaamheden heeft de deskundige voorts geconcludeerd dat de belasting daarvan niet overeenkomt met appellantes psychische beperkingen. Ten slotte heeft de deskundige vermeld dat appellante in haar eigen werk of ander werk ’s morgens een uur respijt moet hebben om “op gang te komen”. Bij een vijfdaagse werkweek zou dat neerkomen op een urenbeperking van vijf uren.

Appellante heeft zich geschaard achter de bevindingen en conclusies van de deskundige. Het Uwv heeft bij brief van 23 oktober 2007 meegedeeld het standpunt van haar bezwaarverzekeringsarts O.J. van Kempen te onderschrijven. Deze kan zich verenigen met de door de deskundige Koerselman aangegeven psychische beperkingen, maar is het niet eens met de gestelde urenbeperking van vijf uur per week. In verband hiermee is de Raad verzocht uitspraak te doen over de toepasselijkheid van een urenbeperking. Dit verzoek heeft de gemachtigde ter zitting van de Raad ingetrokken.

De Raad kent doorslaggevende betekenis toe aan het rapport van de deskundige Koerselman. Zijn standpunt dat de aard en omvang van de psychische beperkingen van appellante door het Uwv zijn onderschat wordt van die zijde ook niet betwist. Ook heeft het Uwv de conclusie van de deskundige Koerselman niet betwist dat appellante met inachtneming van haar psychische beperkingen ongeschikt is voor haar werk van consulente/intercedente. Nu de bij het bestreden besluit gehandhaafde intrekking van appellantes uitkering uitsluitend berust op de stelling dat zij niet langer ongeschikt is voor haar eigen werk, komt dit besluit met de aangevallen uitspraak waarbij dit in stand is gelaten, voor vernietiging in aanmerking. Tevens ziet de Raad aanleiding het besluit van 4 maart 2002 tot intrekking van appellantes uitkering met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te herroepen en daarmee in de zaak zelf te voorzien.

Met het voorgaande is gegeven dat appellante als gevolg van het onrechtmatig gebleken besluit van het Uwv schade heeft geleden, verband houdende met vertraagde uitbetaling van de uitkering. Op het Uwv rust de verplichting die schade te vergoeden op de voet van de artikelen 6:119 en 6:120 van het Burgerlijk Wetboek. De eerste dag waarop over de niet tijdig betaalbaar gestelde bruto-uitkering wettelijke rente is verschuldigd, wordt gesteld op 1 mei 2002, tot aan de dag der algehele voldoening. De ingangsdatum van de rentevergoeding over de volgende termijnen dient telkens te worden vastgesteld op de eerste dag na afloop van de desbetreffende termijn. Bij het voorgaande geldt dat telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover rente wordt berekend, dient te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 805,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. Voorts komen voor vergoeding in aanmerking de kosten van de door appellante ingeschakelde psychiater De Jong tot een bedrag groot

€ 1280,- en de door appellante gemaakte reiskosten tot een bedrag van € 126,80.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep alsnog gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Herroept het besluit in primo van 4 maart 2002 en verstaat dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit;

Bepaalt dat appellante met ingang van 27 april 2002 recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%;

Veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van schade als hiervoor is aangegeven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot

€ 2855,80, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 131,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en

J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2008.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.

JL