Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2823

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-01-2008
Datum publicatie
28-01-2008
Zaaknummer
05-7135 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is betrokkene terecht niet geschikt geacht voor het verrichten van het eigen werk. Afwijzing doorbetaling van de bezoldiging na ontslag. Zorgvuldigheid onderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/7135 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 4 oktober 2005, 05/2279 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 9 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant advies ingewonnen bij de aan Achmea Arbo verbonden senior bedrijfsarts V.H.P. Bremer.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2007. De zaak is gevoegd behandeld met de zaak 05/6624 AW tussen dezelfde partijen. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. van Dishoeck, werkzaam bij het Korps landelijke politiediensten (Klpd). Betrokkene is verschenen, bijgestaan door

mr. drs. R. Dhalganjansing, advocaat te ’s-Gravenhage. Na de zitting is de behandeling van de zaken gesplitst. In deze zaak wordt thans afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene is in 1973 in dienst getreden bij het ministerie van Justitie en met een onderbreking voor het vervullen van zijn militaire dienst onder het gezagsbereik van de minister van Justitie werkzaam gebleven. Met ingang van 1 december 2002 is hij geplaatst bij het Klpd, ressorterend onder de minister, in de functie van informatie-verwerker.

1.2. Appellant heeft bij beslissing van 6 oktober 2003 betrokkene geschorst en hem tot nader order de toegang tot en het verblijf in of op alle dienstlokalen, dienstgebouwen en/of dienstterreinen van het Klpd ontzegd, omdat uit binnengekomen ambtsberichten was gebleken dat betrokkene zich in de vroege ochtend van 13 september 2003 mogelijk schuldig had gemaakt aan een zedenmisdrijf en zijn verblijfplaats sindsdien onbekend is. Betrokkene is op 23 oktober 2003 uit het buitenland teruggekeerd.

1.3. Betrokkene heeft zich op 9 en/of 10 december 2003 ziek gemeld. Op 11 december 2003 heeft hij een werkhervattingsgesprek met de bedrijfsarts gevoerd, die hem op dat moment niet arbeidsongeschikt achtte.

1.4. Appellant heeft bij besluit van 19 december 2003, gehandhaafd bij besluit van

23 september 2004, betrokkene met ingang van de volgende dag op grond van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) de disciplinaire straf van ontslag opgelegd. Van het voornemen tot strafontslag was betrokkene bij brief van 12 november 2003 op de hoogte gesteld.

Nadat de rechtbank het beroep tegen het besluit van 23 september 2004 ongegrond had verklaard, heeft de Raad bij uitspraak van heden, 05/6624 AW, kort gezegd, dat besluit vernietigd.

1.5. Op 23 maart 2004 heeft een aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) verbonden verzekeringsarts op verzoek van betrokkene een deskundigenoordeel uitgebracht. Dat oordeel luidt dat betrokkene per 11 december 2003 niet geschikt is voor het verrichten van het eigen werk. Vervolgens is het verzoek van betrokkene om door-betaling van zijn bezoldiging na ontslag afgewezen, omdat betrokkene aan het oordeel van het Uwv geen aanspraak op doorbetaling van bezoldiging kan ontlenen, nu dat oordeel betrekking heeft op de actuele situatie op 11 februari 2004 en appellant op de datum van het ontslag niet arbeidsongeschikt was en dat ook niet binnen een maand na het ontslag is geworden.

1.6. Bij het bestreden besluit van 22 februari 2005 is het bezwaar van betrokkene tegen die afwijzing ongegrond verklaard.

1.7. In zijn bij de rechtbank ingediende verweerschrift heeft appellant erkend dat het deskundigenoordeel betrekking heeft op het al dan niet arbeidsongeschikt zijn van betrokkene op 11 december 2003. Hij heeft evenwel daarin geen aanleiding gevonden tot betaling van de bezoldiging per 11 december 2003 over te gaan.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en opdracht gegeven opnieuw op het bezwaar te beslissen. Tevens zijn bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht gegeven. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant onzorgvuldig heeft gehandeld door geen nadere informatie bij de verzekeringsarts van het Uwv op te vragen en evenmin een andere medische deskundige in te schakelen om een oordeel te geven over de vraag of betrokkene per 11 december 2003 ongeschikt was voor het uitoefenen van zijn functie.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1.1. Betrokkene heeft aangevoerd dat appellant niet tijdig in hoger beroep is gekomen van de aangevallen uitspraak. Appellant heeft gesteld van de aangevallen uitspraak eerst kennis te hebben genomen door toezending van die uitspraak door de rechtbank bij faxbericht van 23 november 2005.

3.1.2. Uit het door de griffie van de Raad uitgevoerde onderzoek is gebleken dat de rechtbank, die in beginsel alle uitspraken aangetekend verstuurt, het bewijs van de aangetekende zending van de aangevallen uitspraak op 4 oktober 2005 aan appellant niet heeft kunnen traceren. In aanmerking genomen voorts dat sprake is van een niet ongeloofwaardige ontkenning van appellant van de ontvangst van de aangevallen uitspraak kort na de gestelde datum van verzending, is de aangevallen uitspraak, naar het oordeel van de Raad, indertijd niet op de juiste wijze aan appellant bekend gemaakt en de termijn voor het instellen van hoger beroep niet op 5 oktober 2005 aangevangen. Appellant heeft tijdig na verzending van de uitspraak op 23 november 2005 hoger beroep ingesteld.

3.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Weliswaar kan onder omstandigheden van een deskundigen-oordeel van het Uwv worden afgeweken; een dergelijk afwijkend standpunt dient echter wel deugdelijk te zijn gemotiveerd en voldoende ondersteund te worden door andere medische stukken. In dit geval ligt aan het afwijkende standpunt van de minister slechts ten grondslag het op 10 mei 2004 door de bedrijfsarts opgemaakte rapport, waarin de bedrijfsarts er ten onrechte van uitgaat dat betrokkene tussen 11 december 2003 en 11 februari 2004 geen andere arts heeft geconsulteerd en hij eveneens ten onrechte een discrepantie signaleert tussen het deskundigenoordeel van het Uwv en de daarop gegeven toelichting.

4. Gelet op het vorenoverwogene moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

5. Naar aanleiding van het in rubriek I genoemde advies heeft appellant niet een nieuwe beslissing op bezwaar genomen, maar wel het standpunt ingenomen dat er geen aanleiding is een andere inhoudelijke beslissing te nemen dan op 22 februari 2005 was genomen. Dienaangaande overweegt de Raad het volgende.

5.1. Inmiddels is de aan het deskundigenoordeel ten grondslag liggende rapportage van de verzekeringsarts P.H.M. Tielemans aan het procesdossier toegevoegd. Blijkens deze rapportage heeft de verzekeringsarts betrokkene in een vijf kwartier durend consult op

8 maart 2004 onderzocht, heeft hij zich een oordeel gevormd over de medische toestand van betrokkene op dat moment, mede op basis van informatie van de huisarts, de bedrijfs-arts en na zich geïnformeerd te hebben over de functie-inhoud door een arbeidsdes-kundige. Vervolgens heeft hij het na telefonisch contact met de huisarts aannemelijk geacht dat de gezondheidstoestand van betrokkene ten tijde van het onderzoek niet essentieel anders was dan diens gezondheidstoestand op 11 december 2003.

5.2. De senior bedrijfsarts Bremer heeft in zijn advies meegedeeld dat het deskundigen-oordeel van het Uwv van 23 maart 2004 volgens medische maatstaven voldoet aan de vereiste zorgvuldigheid. Hij kan zich echter niet vinden in de conclusies van de verzekeringsarts en ondersteunt de visie van de bedrijfsarts. Hij heeft daaraan toegevoegd dat het voor hem, drie en half jaar later, niet mogelijk is een uitspraak te doen over al dan niet ongeschiktheid wegens ziekte voor eigen of soortgelijke functie in de periode van

11 december 2003 tot en met 20 januari 2004.

5.3. Naar het oordeel van de Raad kan het advies omschreven in rechtsoverweging 5.2. geen grondslag vormen om af te wijken van het deskundigenoordeel. In het advies wordt bevestigd dat dit deskundigenoordeel op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, terwijl de keus van Bremer om de visie van de bedrijfsarts te volgen en niet die van de verzekeringsarts niet alleen niet onderbouwd is, maar tevens in contrast staat met zijn mededeling dat hij niet in staat is een uitspraak te doen over de ongeschiktheid wegens ziekte op 11 december 2003.

5.3. Bij de nieuw te nemen beslissing op bezwaar zal appellant met het vorenstaande rekening dienen te houden. Tevens zullen daarbij de consequenties van ’s Raads uitspraak van heden, 05/6624 AW, dienen te worden betrokken.

6. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding de minister op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat appellant een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat van de Staat der Nederlanden een griffierecht van € 428,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en M.C. Bruning en

A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

R.B.E. van Nimwegen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2008.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) R.B.E. van Nimwegen.

HD

08.01