Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2821

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-01-2008
Datum publicatie
28-01-2008
Zaaknummer
05-6917 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Voorgehouden functies. Belastbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/6917 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 24 oktober 2005, 05/1198 (hierna: de aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).

Datum uitspraak:11 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.H. Samama, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 1 juni 2007. Namens appellante is daar mr. Samama verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

W.L.J. Weltevrede.

De Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen. Desgevraagd heeft het Uwv een nadere toelichting op het ingenomen standpunt gegeven. Hierop is van de zijde van appellante schriftelijk gereageerd. Dat heeft geleid tot een schriftelijk commentaar van het Uwv. De daarop door mr. Samama gegeven reactie, heeft het Uwv aanleiding gegeven tot zijn brief van 15 oktober 2007.

De zaak is andermaal behandeld ter zitting van 30 november 2007. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker.

II. OVERWEGINGEN

Het inleidende beroep is gericht tegen het besluit van 20 januari 2005. Daarbij is gehandhaafd het besluit van 28 mei 2004 tot de weigering om aan appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsuitkering toe te kennen na afloop van de wettelijke wachttijd per 12 januari 2004. Hieraan ligt ten grondslag dat appellante weliswaar om medische redenen niet langer haar werk als supermarktcaissière kan verrichten, maar met gangbare arbeid (net) iets meer kan verdienen dan 85% van het geïndexeerde loon als caissière.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

De Raad gaat uit van de feiten zoals de rechtbank deze heeft vastgesteld. Partijen hebben de juistheid hiervan ook niet bestreden.

In hoger beroep spitst het geding zich toe op de vraag of de belasting in de appellante als voorbeeld voorgehouden functie van parkeercontroleur op het aspect torderen de belastbaarheid van appellante overschrijdt.

De Raad acht zich voldoende overtuigd door de door het Uwv in zijn brief van

11 september 2007 gegeven toelichting, te weten dat de belasting op dat aspect blijft binnen de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid. Anders dan appellante ziet de Raad geen reden voor verdergaand overleg hierover tussen de arbeidsdeskundige en de verzekeringsarts.

Het hoger beroep slaagt daarom niet.

De Raad ziet geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en

J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2008.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.

HS