Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2797

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-01-2008
Datum publicatie
28-01-2008
Zaaknummer
05-3824 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Heeft het Uwv bij de bestreden intrekking van de WAO-uitkering van appellant, zijn verdienvermogen terecht niet langer heeft vergeleken met zijn voormalige verdiensten als profvoetballer?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2008/99
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/3824 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 mei 2005, 03/6108 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.F.C. van Megen, werkzaam bij Rechtshulp Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 mei 2007. Voor appellant is zijn voornoemde raadsman verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door

mr. R. Sowka.

II. OVERWEGINGEN

Appellant was werkzaam als profvoetballer. Hij is op 29-jarige leeftijd, op 22 april 1991, uitgevallen met knieklachten. In verband daarmee is hem per 18 april 1992 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkering is met ingang van 14 november 1994 herzien naar 55 tot 65%, omdat appellant in staat werd geacht ondanks zijn arbeidsbeperkingen met voor hem geschikte functies een zodanig inkomen te verwerven, dat het verlies aan verdiencapaciteit ten opzichte van hetgeen hij verdiende voor hij arbeidsongeschikt werd, 57% bedraagt. Volgens de aan deze herziening mede ten grondslag liggende rapportage d.d. 14 september 1994 van de arbeidsdeskundige R. de Jager, is appellant toen voorgehouden, dat als hij de 35-jarige leeftijd zal hebben bereikt, op 1 december 1997, zijn verdiencapaciteit niet langer zal worden vergeleken met zijn vroegere inkomen van profvoetballer, omdat dan sprake is van een zogenoemde maatmanwisseling.

Op 6 mei 2002 is appellant onderzocht door de verzekeringsarts H. Borninkhof. Deze heeft in een functionele mogelijkhedenlijst voor appellant beperkingen opgenomen die samenhangen met zijn knie-, heup- en psychische klachten. De arbeidsdeskundige

I.L.C. van Lier heeft blijkens zijn rapport van 17 juli 2002 een beoordeling gemaakt van wie inmiddels als de aan appellant soortgelijke gezonde in de zin van artikel 18 WAO (de zogenoemde maatman) moet worden beschouwd. Hieraan ligt het uitgangspunt ten grondslag dat naar het oordeel van het Uwv voor ex-profvoetballers vanaf hun 35e jaar een maatmanwisseling aangewezen is, omdat zij vanaf die leeftijd over het algemeen niet meer als profvoetballer actief plegen te zijn. Op basis van de opleiding en werkervaring van appellant heeft de arbeidsdeskundige in overleg met een arbeidsanalist de functie van schadecorrespondent als maatman van appellant gekozen. Het inkomen van deze functie, dat aanmerkelijk lager is dan wat appellant als profvoetballer verdiende, in vergelijking met hetgeen appellant nog zou kunnen verdienen met voor hem geschikte gangbare functies, betekent een verlies aan verdiencapaciteit van ongeveer 2%. Bij primair besluit van 30 januari 2003 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant per

24 september 2002 vervolgens ingetrokken. Appellant was op dat moment 39 jaar.

Bij besluit van 27 november 2003 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het besluit van

30 januari 2003 gehandhaafd. Het beroep van appellant tegen het bestreden besluit is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de betreffende maatmanwisseling niet in strijd is met het verbod op leeftijdsdiscriminatie, dat het Uwv bij de intrekking van de uitkering een juiste uitlooptermijn heeft gehanteerd, en dat overigens de medische en arbeidskundige aspecten van het bestreden besluit de rechterlijke toets kunnen doorstaan.

In hoger beroep is namens appellant onder handhaving van wat in bezwaar en beroep is aangevoerd, vooral als grief naar voren gebracht dat de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende maatmanwisseling onrechtmatig is. Het maken van onderscheid op basis van leeftijd is in strijd met het verbod op leeftijdsdiscriminatie. Bovendien blijven veel profvoetballers ook na hun 35e actief op vaak het hoogste niveau. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellant daarvan een groot aantal voorbeelden gegeven. Appellant heeft voorts gewezen op de zogenoemde doelmannenjurisprudentie en op de ontwikkelingen rond de leeftijdsgrens bij scheidsrechters. Tevens heeft appellant aangevoerd dat het Uwv in het geval van appellant de leeftijdsgrens van 35 heeft laten passeren zonder tot een nieuwe beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant over te gaan, waarmee het Uwv de mogelijkheid heeft verspeeld om alsnog een dergelijke beoordeling te maken met als basis de zogenoemde maatmanwisseling, omdat dat anders strijdig zou zijn met het vertrouwens- c.q. het rechtszekerheidsbeginsel.

De Raad oordeelt als volgt.

Partijen worden in het bijzonder verdeeld gehouden door het antwoord op de vraag of het Uwv bij de bestreden intrekking van de WAO-uitkering van appellant, zijn verdienvermogen terecht niet langer heeft vergeleken met zijn voormalige verdiensten als profvoetballer.

In artikel 18 WAO is bepaald, dat voor de vaststelling van de mate waarin iemand arbeidsongeschikt is, moet worden beoordeeld in welke mate hij nog in staat is te verdienen, wat gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring met arbeid gewoonlijk verdienen (de zogenoemde maatman). Daarbij geldt als uitgangspunt dat als maatman moet worden genomen degene die de functie uitoefent die de betrokkene uitoefende voordat hij arbeidsongeschikt werd; uitzonderingen zijn echter mogelijk.

In zijn jurisprudentie heeft de Raad geaccepteerd dat voor een ex-profvoetballer vanaf het 35e jaar een maatmanwisseling plaats vindt, en als maatman moet worden beschouwd de gewezen profvoetballer die, gezien zijn leeftijd, op andere wijze dan hij laatstelijk gewoon was in zijn levensonderhoud zal moeten voorzien (b.v. 29-10-1975, RSV 1976,105 en 12-08-1997, LJN:ZB7182). De gedachte hierbij is, dat het beroep van profvoetballer evenals sommige andere beroepen, in de praktijk gebonden is aan een bepaalde leeftijd, en dat over het algemeen profvoetballers op hun 35e jaar als zodanig niet meer actief zijn.

Namens appellant is erkend dat er niet van kan worden uitgegaan dat een verzekerde als appellant bij voortduring als profvoetballer werkzaam zou zijn gebleven en dat op enig moment maatmanwisseling op zijn plaats is. De Raad verbindt hieraan de conclusie dat niet zozeer in geding is of de aangehouden leeftijdsgrens een verboden onderscheid oplevert, maar veeleer waar deze grens moet worden gelegd en hoe daarmee in een concreet geval moet worden omgegaan.

In zijn uitspraak van 29 november 2007, LJN: BB9769, heeft de Raad in dit verband onder meer overwogen:

“Daargelaten of de grens van 35 jaar in het huidige tijdsgewricht nog onverkort kan worden gehandhaafd, benadrukt de Raad dat het hier slechts een uitgangspunt betreft, dat nimmer zonder nadere beschouwing van de omstandigheden van het concrete geval kan worden toegepast. Met name zal een uitvoeringsorgaan zich in elk voorliggend geval de vraag moeten stellen of er voldoende concrete aanwijzingen zijn dat de verzekerde op het te beoordelen moment nog als profvoetballer werkzaam zou zijn geweest, indien zijn klachten zich niet zouden hebben voorgedaan.”.

In het onderhavige geval moest appellant op zijn 29e jaar in verband met knieklachten stoppen als profvoetballer. In de periode daarna heeft hij zich op geheel andere functies gericht, waartoe hij onder meer een opleiding heeft voltooid voor het werk van toeristisch medewerker. Onduidelijk is hoe lang en op welk niveau hij zonder zijn knieklachten als voetballer zou hebben blijven werken, maar duidelijk is dat hij op enig moment zijn werkzaamheden als profvoetballer zou hebben moeten staken. De kans dat hij op zijn

39e jaar nog (substantiële) inkomsten als profvoetballer zou hebben gehad, acht de Raad daarbij gering, te meer nu hij op het spreekuur d.d. 10 december 1991 van de verzekeringsarts A.M. Jansen reeds heeft aangegeven dat hij van plan was om tot zijn

34e jaar te voetballen en vanaf zijn 30e jaar een winkel te beginnen. Gelet hierop heeft het Uwv naar het oordeel van de Raad in dit geval op goede gronden aan het bestreden besluit een maatmanwisseling ten grondslag gelegd.

De grief dat het het Uwv, nadat het bereiken van de 35-jarige leeftijd door appellant was gepasseerd, niet meer vrij stond om zijn aanspraak op een WAO-uitkering met inachtneming van een maatmanwisseling te herbeoordelen, wordt door de Raad verworpen. Uitgangspunt van de WAO en van de daarop gebaseerde regelgeving is dat de aanspraken op uitkering van een verzekerde steeds opnieuw kunnen worden beoordeeld op basis van de feiten en omstandigheden van het gegeven moment. Dat het Uwv voor gewezen profvoetballers beleidsmatig een ander uitgangspunt hanteert, is de Raad niet gebleken. Ook is gesteld noch gebleken dat van de zijde van het Uwv toezeggingen zijn gedaan waaraan appellant het gerechtvaardigde vertrouwen mocht ontlenen, dat toen rond zijn 35e jaar geen herbeoordeling plaats had, er later geen herbeoordeling meer zou volgen op basis van een maatmanwisseling.

Nu gegeven de wisseling van de maatman, van de zijde van appellant niet is bestreden dat de functie van schadebeoordelaar als de aan appellant gelijksoortige gezonde in de zin van artikel 18 WAO kan worden beschouwd, is het inkomen dat appellant daarmee ten tijde van de effectuering van de herziening van zijn uitkering, op 24 september 2002, had kunnen verdienen, terecht aangemerkt als het maatmaninkomen van appellant.

Tegen de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de gehanteerde uitlooptermijn, de medische beoordeling en de arbeidskundige beoordeling heeft appellant in hoger beroep geen nieuwe grieven aangevoerd. De Raad kan zich verenigen met de overwegingen in de aangevallen uitspraak ten aanzien van deze onderdelen van het bestreden besluit, en volstaat daarom met verwijzing naar die overwegingen.

Het vorenoverwogene leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en

A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2008.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.

GdJ