Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2795

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-01-2008
Datum publicatie
28-01-2008
Zaaknummer
05-2342 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kan de weigering om appellante een WAO-uitkering toe te kennen op grond van artikel 30, lid 1, aanhef en sub a, van de WAO standhouden?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/2342 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 5 april 2005, 04/1914 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak:11 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2007. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. S.C.M. Asselbergs, advocaat te Bergen op Zoom. Het Uwv was vertegenwoordigd door J.B. Snoek.

II. OVERWEGINGEN

Appellante is laatstelijk per 1 december 2000 op een contract voor onbepaalde tijd als medewerkster begeleiding in dienst getreden van het psychiatrische ziekenhuis “Vrederust” te Halsteren, met een arbeidsduur van gemiddeld minimaal 5 uur en maximaal 22 uur per week. Zij is voor deze werkzaamheden op 5 februari 2001 uitgevallen met klachten in verband met een baarmoederoperatie en met psychische klachten. Zij heeft haar werkzaamheden op 30 oktober 2001 hervat. Op 22 juli 2002 is appellante opnieuw uitgevallen als gevolg van lichamelijke en psychische klachten. Zij is op 25 augustus 2003 op het spreekuur onderzocht door de arts G. Hoogsteen, die, zoals blijkt uit zijn rapport van 9 oktober 2003, als diagnose stelt een recidiverende depressie. Hoogsteen meent dat appellante op grond van haar psychiatrische verleden, de intensieve begeleiding en de medicatie reeds bij aanvang van de verzekering d.d. 1 december 2000 volledig arbeidsongeschikt was en dat die ongeschiktheid sindsdien heeft voortgeduurd. Ook ten tijde van zijn onderzoek acht hij appellante volledig arbeidsongeschikt op psychische gronden.

Bij besluit van 5 november 2003 heeft het Uwv geweigerd om aan appellante een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen. Het Uwv heeft daarbij gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid op grond van artikel 30, lid 1, aanhef en sub b, van de WAO, om de aanspraken van appellante die voortvloeien uit de algehele arbeidsongeschiktheid welke al bestond bij aanvang van haar verzekering, volledig buiten aanmerking te laten.

De bezwaren van appellante tegen dit besluit zijn beoordeeld door de arts H.E. Wonnink, die blijkens zijn rapport van 28 juli 2004 het standpunt van de primaire arts Hoogsteen onderschrijft. Bij het door appellante in beroep bestreden besluit van 12 augustus 2004 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen het besluit van

5 november 2003 vervolgens ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellante ongegrond verklaard.

Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank zich ten onrechte heeft geschaard achter het oordeel van het Uwv dat appellante al op 1 december 2000 volledig arbeidsongeschikt was. Zij heeft zich uit haar dienstverband bij “Vrederust” niet ziekgemeld in verband met de psychische redenen waar het Uwv nu vanuit gaat. Appellante pleit ervoor dat zij door een deskundige wordt onderzocht. Tot slot beroept appellante zich erop dat de weigering om haar een WAO-uitkering toe te kennen, in strijd is met het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel.

De Raad overweegt het volgende.

Voor wat betreft het beroep van appellante op schending van het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, kan de Raad zich geheel verenigen met wat door de rechtbank in de aangevallen uitspraak hieromtrent is overwogen. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat van een dergelijke schending in dit geval geen sprake is.

Anders dan de rechtbank is de Raad echter van oordeel dat de weigering appellante een WAO-uitkering toe te kennen op grond van artikel 30, lid 1, aanhef en sub a, van de WAO geen stand kan houden.

Hoogsteen is volgens zijn rapport van 9 oktober 2003 van mening dat appellante ten tijde van zijn onderzoek op 25 augustus 2003 volledig arbeidsongeschikt was in de zin van de WAO, dat zij dat ook was op 1 december 2000, toen haar WAO-verzekering laatstelijk een aanvang nam, en dat zij dat in de tussentijd ook steeds is geweest.

Wonnink heeft dit standpunt onderschreven. Hoogsteen heeft geen beperkingen voor appellante geformuleerd en is daarom kennelijk van oordeel dat appellante op louter medische gronden zowel tijdens zijn beoordeling, als op 1 december 2000, volledig arbeidsongeschikt was en dus niet alleen niet in staat is om de werkzaamheden van medewerkster begeleiding te verrichten, maar evenmin in staat is andere functies uit te oefenen. Zoals blijkt uit zijn rapport baseert hij dit op het psychiatrische verleden van appellante, op de intensieve begeleiding die zij krijgt en op haar medicatie.

Uit de gedingstukken, en vooral de informatie van de psychiater P. Kwaadgras, die verbonden is aan het psychiatrische ziekenhuis “Vrederust” waar appellante werkzaam was en die appellante in het verleden heeft behandeld, komt naar voren dat appellante zeker sinds 1997 lijdt aan een bipolaire stoornis. Kwaadgras schrijft op 13 juli 1999 dat de behandelaars van appellante destijds twijfel hadden aan de mogelijkheden voor appellante om te gaan werken en dat ze op korte en middellange termijn appellante betaalde arbeid zullen ontraden. Op 22 september 2003 meldt Kwaadgras in een brief aan Hoogsteen, dat appellante in de periode van 2000 tot dat moment gaandeweg wel wat stabieler is geworden. Dit blijkt ook uit het gegeven dat zij al langer geen extra medicatie voorgeschreven behoefde te krijgen. Dat haar psychische situatie sinds 1999 gaandeweg is verbeterd, wordt ook bevestigd door het schrijven d.d. 30 september 2004 van de zenuwarts F.M. Sleegers. Ten aanzien van de intensieve begeleiding blijkt de Raad uit de gedingstukken slechts dat daarvan mogelijk in 2000 sprake was, waarbij niet duidelijk is om exact wat voor soort begeleiding het ging, en met welke intensiteit die plaatsvond. Naar het oordeel van de Raad vormen daarom het psychiatrische verleden van appellante, de door haar genoten begeleiding en haar medicatie, voor zover dit uit de gedingstukken blijkt, onvoldoende grondslag voor de conclusie dat appellante ten tijde van het onderzoek door Hoogsteen, op de datum per welke zij aanspraak op een WAO-uitkering zou kunnen maken, én op 1 december 2000 volledig arbeidsongeschikt was in de zin van de WAO.

Daaraan voegt de Raad nog toe, dat uit het feit dat appellante op 1 december 2000, terwijl haar psychiatrische verleden daar bekend was, is aangesteld door “Vrederust” als medewerker begeleiding, er niet op duidt dat deze werkgever haar op dat moment in het geheel niet in staat achtte om (op termijn) die functie naar behoren uit te oefenen. Dat de personeelsconsulente M. Jacobs in de brief van 24 september 2003 schetst dat appellante hoofdzakelijk therapeutisch heeft gewerkt, toont op zichzelf ook niet aan dat zij bij aanvang in die functie volledig arbeidsongeschikt was. Tot slot overweegt de Raad dat appellante uit haar op 1 december 2000 aangevangen functie de eerste maal is uitgevallen op 5 februari 2001 en vervolgens op 22 juli 2002, waarbij de oorzaak van de uitval zeker niet alleen is gelegen in de psychische gesteldheid van appellante, wat eveneens twijfel doet rijzen of appellante op grond van haar psychische situatie zowel bij aanvang van haar werkzaamheden als bij de latere beoordeling op psychische gronden volledig arbeidsongeschikt was.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, is naar het oordeel van de Raad geen sprake van voldoende ondubbelzinnige indicaties voor het bestaan van volledige arbeidsongeschiktheid van appellante, zowel ten tijde van de beoordeling door Hoogsteen op 25 augustus 2003 als bij de aanvang van haar WAO-verzekering op 1 december 2000. Derhalve kan het bestreden besluit niet worden gedragen door de gronden waarop dit rust, zodat het wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen stand kan houden.

Uit het vorenoverwogene volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

Namens appellante is op grond van artikel 8:73 van de Awb verzocht het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de schade in de vorm van wettelijke rente aan de zijde van appellante. Het ligt thans niet op de weg van de Raad om zich over mogelijke schade uit te spreken omdat nog niet vaststaat hoe het nieuwe besluit zal gaan luiden. Het Uwv zal bij het nemen van het nieuwe besluit op bezwaar tevens antwoord moeten geven op de vraag in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden.

De Raad acht termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling van het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb. De Raad begroot deze kosten op € 644, - aan kosten voor rechtsbijstand in beroep, € 644, - aan kosten voor rechtsbijstand in hoger beroep, € 37,70 aan kosten voor een aan appellante uitgebrachte medische rapportage en € 52,94 aan reiskosten voor appellante, tezamen belopend de som van € 1.378,64.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 12 augustus 2004 gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.378,64, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 140, - vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en

I.M.J. Hilhorst-Hagen en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op

11 januari 2008.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) M. Lochs.

HS