Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2794

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-01-2008
Datum publicatie
28-01-2008
Zaaknummer
05-171 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Besluit berust op ondeugdelijke medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/171 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 3 december 2004, 03/1622 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 17 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.F.E. van Halder, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Door de Raad desverzocht heeft prof. dr. P.P.G. Hodiamont, psychiater te Tilburg, bij rapport van 14 juni 2007 van verslag en advies gediend omtrent een aantal ten aanzien van de gezondheidstoestand van appellante gerezen vragen.

Het Uwv heeft bij brief van 17 juli 2007 een commentaar van de bezwaarverzekeringsarts G.C.N. Debie ingezonden. Appellantes gemachtigde heeft bij brief van 25 juli 2007 gereageerd.

Op verzoek van de Raad heeft de deskundige Hodiamont bij brief van 14 september 2007 een toelichting op zijn rapport verstrekt, waarop de bezwaarverzekeringsarts Debie op

17 oktober 2007 heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2007, waar appellante is verschenen bij haar gemachtigde mr. Van Halder en haar zoon U. Sönmez. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. van Tijn.

II. OVERWEGINGEN

Voor een uitvoerig overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank in rubriek II van de aangevallen uitspraak daaromtrent, gelet op de gedingstukken met juistheid, heeft weergegeven. De Raad volstaat hier met de vermelding dat het Uwv bij besluit van

25 april 2001 de aan appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) verleende uitkering, laatstelijk verleend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 19 juni 2001 heeft herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Bij het thans bestreden op bezwaar genomen besluit van 19 mei 2003 is deze herziening gehandhaafd.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak overwogen dat zij de onderbouwing van het standpunt van de behandelend psychiater C. Kok te Brummen dat sprake is van een “psychotische depressie” voor zover het gaat om de periode mei/juni 2001, niet in die mate overtuigend acht dat zou moeten worden gezegd dat appellante in die periode, in weerwil van eerdere, ondubbelzinnige en goed onderbouwde bevindingen van de psychiater J.D.J. Tilanus (rapport van 13 oktober 1999) en de verzekeringsarts N. Bayat, medisch gezien niet in staat zou zijn geweest om lichte werkzaamheden gedurende halve dagen (of gedurende 15 uur per week) te verrichten. De rechtbank heeft geen termen aanwezig geacht te voldoen aan het verzoek van appellante om een onderzoek door een onafhankelijk psychiater. Ook overigens heeft de rechtbank geen redenen gezien om het bestreden besluit niet in stand te laten.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank niet zonder een deskundige te raadplegen tot haar oordeel had mogen komen, nu er een groot verschil van visie tussen de diverse geraadpleegde medici bestaat.

De Raad heeft termen aanwezig geacht zich van verslag en advies te laten dienen door de als deskundige geraadpleegde psychiater Hodiamont te Tilburg. Deze heeft in samenwerking met de psychiater in opleiding T.G.A. Strieder op 14 juni 2007 gerapporteerd en op 14 september 2007 nog een toelichting verstrekt.

De bezwaarverzekeringsarts Debie heeft in zijn commentaar van 11 juli 2007 gesignaleerd dat, anders dan de door het Uwv geraadpleegde psychiater Tilanus, de deskundige Hodiamont geen gebruik heeft gemaakt van een officiële tolk, maar van de diensten van een zoon van appellante. Dit acht de bezwaarverzekeringsarts, zeker in het kader van een hoger beroepsprocedure, niet acceptabel. Ook als de zoon naar eer en geweten tolkt is er geen garantie dat de vertalingen naar en uit het Turks betrouwbaar en correct zijn. Bovendien acht de bezwaarverzekeringsarts de voortdurende aanwezigheid van een familielid bij gesprekken in het kader van een psychiatrisch onderzoek niet acceptabel dan wel zeer ongewenst, omdat die aanwezigheid onherroepelijk het gedrag en de klachtenpresentatie van onderzochte tijdens het onderzoek kunnen beïnvloeden.

De Raad kan de hier verwoorde kritiek van de bezwaarverzekeringsarts in zijn algemeenheid wel volgen. Desalniettemin ziet de Raad geen reden om het rapport van de deskundige Hodiamont, mede bij het licht van zijn op 14 september 2007 gegeven toelichting, niet bij de oordeelsvorming te betrekken. Daarbij neemt de Raad het volgende in aanmerking.

Uit het rapport van 14 juni 2007 blijkt dat een officiële tolk voor het laatste afsluitende gesprek van appellante met de deskundige was besteld, maar dat deze niet kwam opdagen. Een eerdere afspraak voor dit gesprek met de deskundige had appellante wegens ziekte moeten afzeggen. Ter zitting is door de zoon van appellante, die bij alle onderzoeksgesprekken als tolk heeft gefunctioneerd, verklaard dat de vraag of het afsluitend gesprek, ditmaal in verband met de afwezigheid van de tolk, opnieuw moest worden uitgesteld, door de deskundige aan de orde is gesteld en dat er na overleg met appellante is beslist om het gesprek met behulp van de zoon als tolk voortgang te doen vinden. Voorts is door appellantes zoon verklaard dat achteraf tussen hem en de deskundige nog contact is geweest over de vraag of er alsnog aanleiding was om in aanwezigheid van een officiële tolk het onderzoek af te ronden. De deskundige achtte dit niet noodzakelijk. De Raad heeft geen redenen te twijfelen aan het waarheidsgehalte van deze ter zitting door de zoon gedane mededelingen.

De deskundige Hodiamont heeft er in zijn brief van 14 september 2007 op gewezen dat de aanwezigheid van de zoon van appellante bij het onderzoek er niet toe heeft geleid dat er uitgegaan wordt van andere feiten dan die door de psychiater Tilanus zijn vastgesteld en dat het verschil in opvatting is terug te leiden tot een andere interpretatie van die feiten. De deskundige heeft in deze brief voorts vermeld dat de afwezigheid van een beëdigde tolk geen belemmering is geweest voor een juist verloop van het diagnostisch proces en voor de validiteit van de conclusies.

De Raad neemt bij het vorenoverwogene nog in aanmerking dat de wenselijkheid van afwezigheid van een familielid bij het psychiatrisch onderzoek primair strekt tot het belang van de onderzochte, die zich vanwege de familiale band mogelijk gehinderd zou kunnen voelen vrijuit te spreken. Gelet op hetgeen de Raad hierna nog zal overwegen, is de Raad van oordeel dat voor zover dit in het onderhavige geval zich al zou hebben voorgedaan, appellante daardoor niet is geschaad.

Ten slotte wijst de Raad nog op zijn uitspraak van 22 december 2006 (LJN: AZ7860) in welk geval de aanwezigheid van een familielid bij het psychiatrisch onderzoek niet meebracht dat dit onderzoek alleen daardoor al met het oog op de rechterlijke oordeelsvorming van onwaarde was.

In vaste rechtspraak van de Raad ligt voorts besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. De deskundige is serieus op het inhoudelijk commentaar van de bezwaarverzekeringsarts Debie ingegaan en heeft gemotiveerd zijn standpunt gehandhaafd. Nu sprake is van een weloverwogen en goed gemotiveerde reactie van de deskundige ziet de Raad geen reden diens advies niet te volgen. Dat geldt in het bijzonder voor het zonder voorbehoud gegeven antwoord dat in 2001 bij appellante sprake was van een status na hypothyreoidie met als psychiatrische componenten een gegeneraliseerde angststoornis en een somatoforme stoornis niet anders omschreven, als gevolg waarvan zij toen niet in staat was arbeid te verrichten. In het rapport van 14 juni 2007 is vermeld dat de mede-onderzoeker psychiater in opleiding Strieder een proefschrift voorbereidt over het onderwerp psychiatrische symptomen als gevolg van schildklierlijden, dit onderwerp tot het specialisme psychiatrie behoort en dat om die redenen het advies van een internist met betrekking tot de consequenties van de schildklierpathologie niet noodzakelijk werd geacht. De Raad volgt ook op dit punt de deskundige Hodiamont.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het bestreden besluit op een ondeugdelijke medische en arbeidskundige grondslag berust. Het Uwv zal een nieuw besluit op het bezwaar van appellante dienen te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Verstaat dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op het bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot

€ 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 133,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en

A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2008.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.

JL