Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2693

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-01-2008
Datum publicatie
25-01-2008
Zaaknummer
07-2502 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om herziening: geen relevante nieuwe feiten of gegevens en geen medisch objectieve gegevens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2502 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 17 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 22 maart 2007, kenmerk JZ/A70/2007, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2007. Appellant is daar in persoon verschenen, terwijl verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 24 oktober 2001 heeft verweerster appellant naar aanleiding van zijn aanvraag van oktober 2000 op grond van blijvende psychische invaliditeit erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en is hem met ingang van 1 oktober 2000 de toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wet toegekend.

1.2. Een periodieke uitkering is appellant toen evenwel geweigerd op de grond dat hij zijn werkzaamheden niet heeft beëindigd in verband met zijn oorlogsinvaliditeit waardoor een blijvende achteruitgang in zijn inkomen is ontstaan. Tegen voormeld besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt.

2.1. In februari 2006 heeft appellant verweerster verzocht haar onder 1.1. genoemde beslissing te herzien en hem alsnog voor een periodieke uitkering op grond van de Wet in aanmerking te brengen. Appellant heeft in dat verband aangevoerd dat hij zich sedert twee jaar onder behandeling heeft gesteld bij het Centrum 1940-1945 en hem duidelijk is geworden dat hij ten gevolge van zijn stoornis nooit een echte carrie?re heeft kunnen maken.

2.2. In dat verband schetst appellant zijn loopbaan als student theologie te Kampen alwaar hij na conflicten is weggegaan alsmede zijn werkzaamheden bij Philips en de VSB-bank waar hem hetzelfde is overkomen. Appellant stelt geleden te hebben onder periodes met depressies waardoor hij sedert 13 jaar psychiatrische dan wel psycho-therapeutische hulp heeft ondergaan. Ook later als freelancer ondervond appellant die problemen. Door zijn hechtingsproblemen en autoriteitsproblematiek had appellant korte aanstellingen zodat hij meent wel degelijk voor een periodieke uitkering in aanmerking te komen.

2.3. Verweerster heeft deze aanvraag afgewezen bij besluit van 23 maart 2006, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de grond dat appellant geen relevante nieuwe feiten of gegevens heeft aangevoerd en er geen medisch objectieve gegevens voorhanden zijn omtrent de door hem genoemde werkbeëindigingen of werkverminderingen in de periode van 1983 tot 1994 die aanleiding geven tot herziening van het over de eerdere aanvraag van appellant genomen besluit betreffende de periodieke uitkering.

3. Ter beantwoording staat de vraag of, gelet op hetgeen door partijen in beroep is aangevoerd in samenhang met de voorhanden zijnde gegevens, het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Deze vraag beantwoordt de Raad bevestigend en hij overweegt daartoe als volgt.

3.1. De hiervoor genoemde aanvraag van februari 2006 draagt, naar verweerster terecht heeft vastgesteld, het karakter van een verzoek om herziening van het door verweerster eerder genomen, hiervoor vermelde besluit aangaande de aanvraag van oktober 2000.

3.2. Ingevolge artikel 61, derde lid, van de Wet is verweerster bevoegd op daartoe door of vanwege de belanghebbende gedane aanvraag een door haar gegeven besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is discretionair van aard, zodat de Raad de wijze waarop verweerster hiervan gebruik maakt met terughoudendheid dient te toetsen.

3.3. Bij een verzoek om herziening als waarvan hier sprake is, staat centraal de vraag of appellant bij zijn verzoek om herziening dan wel in bezwaar nieuwe feiten of omstandig-heden heeft aangevoerd die verweerster bij het nemen van haar besluit van 24 oktober 2001 niet bekend waren en dat besluit in een zodanig nieuw licht plaatsen dat verweerster daarin aanleiding had moeten vinden dat besluit te herzien.

3.4. De Raad stelt vast dat appellant zijn herzieningsverzoek niet vergezeld heeft doen gaan van - relevante - gegevens als bedoeld onder 3.2. Hierbij neemt de Raad in aanmerking dat aan de besluitvorming met betrekking tot de primaire beslissing van 24 oktober 2001 ten grondslag heeft gelegen dat er geen objectieve medische gegevens voorhanden waren die konden bevestigen dat appellant zijn werkzaamheden in de periode van 1983 tot 1994 vanwege causale psychische klachten op enig moment heeft verminderd dan wel beëindigd. De arts M. Blom die appellant destijds in 2001 namens verweerster heeft onderzocht, was weliswaar van oordeel dat de werkbeëindigingen c.q. -verminderingen sinds 1983 tot 1994 zeer waarschijnlijk hebben plaatsgevonden ten gevolge van de oorlogsinvaliditeit, maar verweerster heeft dat oordeel toen niet overgenomen omdat het niet was gebaseerd op objectieve medische gegevens.

Hetgeen bij de huidige aanvraag aan gegevens vanuit de behandelende sector is overgelegd betreft recente behandelinformatie en bevat geen gegevens met betrekking tot de problemen die appellant in de uitoefening van zijn werkzaamheden in het tijdvak van 1983 tot 1994 zou hebben ondervonden. Ook de recent in de beroepsfase door appellant overgelegde behandelinformatie van de polikliniek van Centrum ’45 bevat geen gegevens betreffende zijn werkzaamheden in voornoemde periode.

3.5. De Raad ziet dan ook geen grond het bestreden besluit niet in stand te laten.

4. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht een der partijen te veroordelen in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en C.G. Kasdorp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J.H. van Baalen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2008.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M.J.H. van Baalen.

HD

14.01