Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2594

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-01-2008
Datum publicatie
24-01-2008
Zaaknummer
07-636 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering erkenning als burger-oorlogsslachtoffer, weigering WUBO-uitkering. Geen lichamelijk of psychisch letsel, leidend tot invaliditeit in de zin van de WUBO, opgelopen ten gevolge van het oorlogsgeweld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/636 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellante],

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 17 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 19 december 2006, kenmerk JZ/M70/2006, ten aanzien van appellante genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2007. Namens appellante is daar verschenen mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Sittard, terwijl verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, geboren in 1925 in de Oekraïne, heeft in oktober 2004 bij verweerster een hernieuwde aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor onder meer een periodieke uitkering. Appellante heeft die aanvraag gebaseerd op gezondheidsklachten die zij toeschrijft aan haar oorlogservaringen tijdens de Tweede Wereldoorlog in Duitsland.

1.2. Verweerster heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 9 december 2005, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de grond dat appellante weliswaar is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wet - te weten dwangarbeid in Duitsland - maar ten gevolge van het oorlogsgeweld geen lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen dat heeft geleid tot invaliditeit in de zin van de Wet.

2. In beroep is namens appellante in hoofdzaak aangevoerd dat verweerster ten onrechte heeft nagelaten appellante aan een psychiatrisch onderzoek te onderwerpen. In dat verband is met name gewezen op de verklaringen van de huisarts van appellante, waarin de huisarts aangeeft dat de aanwezige klachten van appellante aan het bewegingsapparaat berusten op een somatoforme stoornis (in de vorm van een chronische benigne pijnsyndroom) welke in relatie staat met de oorlogservaringen.

3. De Raad overweegt als volgt.

3.1. Naar uit de stukken blijkt is het standpunt van verweerster in eerste instantie gebaseerd op het medisch advies van haar geneeskundig adviseur P. Windels, arts, die op basis van het door de arts G.M. van der Molen bij appellante verrichte medisch onderzoek en van de huisarts van appellante ontvangen informatie heeft geoordeeld dat er bij appellante sprake is van lichte psychische klachten (doorslaapproblemen en terugtrekgedrag) welke in verband staan met het oorlogsgeweld, maar dat de met deze klachten gepaard gaande beperkingen zodanig gering zijn dat er niet gesproken kan worden van blijvende invaliditeit in de zin van de Wet. Voorts is geoordeeld dat de lichamelijke klachten (hart- en rugklachten, gewrichtsklachten en pijnsyndroom) niet in het vereiste verband met het oorlogsgeweld kunnen worden gebracht.

3.2. In het kader van de bezwaarprocedure heeft verweerster aanleiding gezien appellante te onderwerpen aan een onderzoek door de internist-reumatoloog dr. M. Starmans-Kool. In navolging van het door dr. Starmans-Kool uitgebrachte rapport heeft de geneeskundig adviseur I.P.L. Koperberg geconcludeerd dat het bij appellante aanwezige chronische benigne pijnsyndroom niet aan de oorlogservaringen kan worden toegeschreven. Voorts heeft de geneeskundig adviseur het primaire medisch advies onderschreven dat niet blijkt van een psychische invaliditeit in de zin van de Wet.

3.3. Anders dan namens appellante in beroep en tijdens de behandeling ter zitting is aangevoerd, acht de Raad het in het bestreden besluit neergelegde standpunt op grond van deze medische adviezen deugdelijk voorbereid en gemotiveerd. Hierbij neemt de Raad in aanmerking dat het vanwege de uit de verkregen medische informatie blijkende onduidelijkheid over de door appellante gemelde klachten van het bewegingsapparaat en het pijnsyndroom in de rede lag appellante aan een reumatologisch onderzoek te onderwerpen. Voorts komt uit het rapport van dr. Starmans-Kool naar het oordeel van de Raad in voldoende mate naar voren dat het bij appellante aanwezige chronische benigne pijnsyndroom berust op organische afwijkingen. Zo concludeert deze specialist dat er sprake is een beeld van milde arthrosis deformans in schouders, duimen, nek en lage rug, een lichte osteoporosis, een geringe spondylolisthesis laaglumbaal bij standafwijkingen en beginnende degeneratieve afwijkingen. Weliswaar constateert zij een discrepantie tussen de ernst van de pijnklachten en de organische afwijkingen, maar een relatie met het oorlogsgeweld en de pijnklachten wordt door dr. Starmans-Kool niet aanwezig geacht. Gelet op de bevindingen van dr. Starmans-Kool en de bij appellante vastgestelde (lichte) psychische klachten is de Raad met verweerster van oordeel dat er geen aanknopingspunt is te vinden voor een psychiatrisch lijden dat het ontstaan van een somatoforme stoornis kan verklaren. Naar het oordeel van de Raad heeft verweerster dan ook terecht geen aanleiding gezien tot het verrichten van een nader psychiatrisch onderzoek.

3.4. Ook overigens heeft de Raad, gelet op hetgeen is aangevoerd, in de voorhanden zijnde medische gegevens geen aanknopingspunt kunnen vinden om de twijfelen aan de juistheid van het door verweerster, in navolging van haar geneeskundig adviseurs, ingenomen standpunt dat geen sprake is van tot invaliditeit leidend psychisch of lichamelijk letsel.

4. Het voorgaande betekent dat het beroep van appellante ongegrond moet worden verklaard.

5. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en C.G. Kasdorp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J.H. van Baalen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2008.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M.J.H. van Baalen.

HD