Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2590

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-01-2008
Datum publicatie
24-01-2008
Zaaknummer
07-201 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mededeling niet gericht op zelfstandig rechtsgevolg, derhalve niet-ontvankelijk verklaring bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/201 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 1 december 2006, 05/896 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College)

Datum uitspraak: 8 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 27 november 2007, waar partijen niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontvangt een bijstandsuitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande.

Bij besluit van 4 maart 2005 heeft het College aan appellante meegedeeld dat in plaats van de arbeidsverplichtingen van de Algemene bijstandswet met ingang van 1 april 2005 de verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB op appellante van toepassing zijn.

Bij besluit van 12 juli 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 4 maart 2005 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met een bepaling omtrent griffierecht, het beroep tegen het besluit van 12 juli 2005 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe is onder meer als volgt overwogen (waar voor eiseres appellante dient te worden gelezen):

“Uit artikel 9, eerste lid, WWB vloeit voort dat de daarin opgenomen verplichtingen van rechtswege aan de bijstand zijn verbonden. Uitzondering daarop kan slechts gemaakt worden door een tijdelijke ontheffing te verlenen wanneer in een individueel geval dringende redenen daartoe aanleiding geven. Zodanige dringende redenen zijn evenwel gesteld noch gebleken. De rechtbank stelt voorts vast dat eerder aan eiseres de verplichtingen van artikel 113, eerste lid, Abw aan de bijstand verbonden waren. De in het besluit van 4 maart 2005 vervatte mededeling dat zij vanaf 1 april 2005 volledig aan de in artikel 9, eerste lid, WWB neergelegde verplichting dient te voldoen, strekt er dan ook slechts toe eiseres aan de gelding van die verplichting te herinneren en is mitsdien niet op enig zelfstandig rechtsgevolg gericht. Het bezwaar van eiseres, dat ziet op de verplichtingen gericht op de arbeidsinschakeling alsmede op de algemene verplichtingen die uit de WWB voortvloeien, was derhalve niet gericht tegen een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb).”

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad heeft in hetgeen in hoger beroep naar voren is gebracht geen aanknopingspunten gevonden om het oordeel van de rechtbank voor onjuist te houden en onderschrijft de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2008.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) L. Jörg.

RB