Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2589

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-01-2008
Datum publicatie
24-01-2008
Zaaknummer
07/746 WUV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering herziening besluit inzake afwijzing kosten verzorging verzorgingstehuis. Geen nieuwe feiten op grond waarvan gezegd zou moeten worden dat het eerdere besluit onjuist is geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/746 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellante],

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 17 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 28 december 2006, kenmerk JZ/Y70/2006, ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet), verder: het bestreden besluit.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2008. Namens appellante is verschenen mr. drs. C. Lamphen, advocaat te Utrecht, alsmede [naam zoon], zoon van appellante. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, geboren in 1912 in het voormalig Nederlands-Indië, is bij besluit van verweerster van 3 september 1976 erkend als vervolgde in de zin van de Wet. Aan haar is vervolgens een periodieke uitkering toegekend.

1.2. Bij besluit van verweerster van 3 september 2004 is de aanvraag voor een voorziening in de kosten van opname en verzorging in een verzorgingshuis afgewezen, op de grond dat deze opname niet in verband stond met de psychische klachten van appellante waarvan is aanvaard dat zij verband houden met de vervolging, maar met haar cognitieve achteruitgang waarvan een dergelijk causaal verband niet wordt aanvaard. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is ingetrokken.

1.3. Appellante is in juli 2004 opgenomen in het verzorgingshuis. Op 23 maart 2006 heeft de zoon van appellante namens haar opnieuw een aanvraag ingediend voor een voorziening voor opname- en verzorgingskosten. Bij besluit van verweerster van 18 juli 2006 is hierop afwijzend beslist, welke afwijzing na bezwaar is gehandhaafd bij het bestreden besluit.

2. In beroep is, kort samengevat, namens appellante aangevoerd dat de causale psychische klachten van appellante een rol van betekenis hebben gespeeld bij de noodzaak tot opname in een verzorgingshuis. Het dementieproces en de beleving daarvan worden ernstig negatief beïnvloed door de reeds lang bestaande verlatingsangst, zodat de causale psychische klachten medebepalend zijn geweest.

3. In verweer is aangevoerd dat het bestreden besluit betreft de weigering om tot herziening van het eerdere besluit van 3 september 2004 over te gaan en dat geen relevante nieuwe feiten naar voren zijn gebracht op grond waarvan zou moeten worden gezegd dat het eerdere besluit onjuist is geweest. De causale psychische klachten hebben volgens verweerster geen rol van betekenis gespeeld bij de opname in het verzorgingshuis, maar deze was het gevolg van de cognitieve achteruitgang en fysieke problemen.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Op grond van artikel 61, tweede lid, van de WUV is verweerster bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door haar genomen besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien. Deze bepaling houdt een bevoegdheid en geen verplichting voor verweerster in. Dit brengt mee dat de Raad het besluit slechts terughoudend kan toetsen.

4.2. De naar aanleiding van haar verzoek om herziening ingewonnen informatie van de huisarts geeft aan dat al lang voor de opname sprake was van verlatingsangst en nachtmerries. Een manager van het verzorgingshuis waar appellante verblijft heeft voorts meegedeeld dat de verlatingsangst zich onder meer uit in urenlang schreeuwen om haar zoon en dat niet wordt uitgesloten dat dit “dwingende element” direct of indirect in verband staat met het oorlogsverleden van appellante.

4.3. De Raad ziet echter niet dat verweerster op grond van de onder 4.2. vermelde gegevens tot herziening van het besluit van 3 september 2004, dat was gebaseerd op recente medische gegevens, had moeten overgaan. De Raad acht op grond van de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende medische adviezen van de artsen I.P.L. Koperberg en A.M. Ohlenschlager voldoende onderbouwd dat de onder 4.2. genoemde gegevens geen belangrijk ander licht werpen op de redenen voor opname van appellante in een verzorgingshuis in 2004 en dat die opname met name is veroorzaakt door de cognitieve achteruitgang en de niet-causale lichamelijke klachten.

5. Gezien het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

6. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en C.G. Kasdorp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J.H. van Baalen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2008.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M.J.H. van Baalen.

HD