Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2484

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-01-2008
Datum publicatie
24-01-2008
Zaaknummer
05-5172 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering toe te kennen. Medische en arbeidskundige beoordeling voldoende? Geschiktheid geselecteerde functies waarop de schatting is gebaseerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5172 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 6 juli 2005, 05/828 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Broens, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het Uwv heeft bij brief van 9 november 2005 een vraag van de Raad beantwoord.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting op 11 december 2007, waar partijen - met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 23 augustus 2004 heeft het Uwv geweigerd appellant, nadat hij gedurende 52 weken arbeidsongeschikt was geweest, met ingang van 31 oktober 2003 in het genot te stellen van een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, onder de overweging dat appellant voor minder dan 15% arbeidsongeschikt in de zin van die wet was.

Bij besluit van 14 februari 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 augustus 2004 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft, zoals uit de aangevallen uitspraak blijkt, geoordeeld dat er geen redenen zijn om te twijfelen aan de juistheid van de belastbaarheid van appellant op de in geding zijnde datum, zoals die door het Uwv is vastgesteld. De rechtbank heeft zich verenigd met de door het Uwv ten aanzien van appellant in aanmerking genomen beperkingen van lichamelijke en psychische aard en heeft geen aanleiding gezien om een onderzoek door een onafhankelijk deskundige te gelasten. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de functies waarop de arbeidsdeskundige van het Uwv de onderhavige schatting heeft gebaseerd, in medisch opzicht passend zijn voor appellant.

In hoger beroep heeft appellant zijn grieven in bezwaar en beroep herhaald, waarbij hij met name heeft aangevoerd dat zijn psychische beperkingen door het Uwv zijn onderschat.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

Die vraag beantwoordt de Raad bevestigend. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dit berust. Daaraan voegt hij nog het volgende toe.

Naar aanleiding van hetgeen in het beroepschrift is aangevoerd wijst de Raad erop dat uit de namens appellant in de bezwaarfase overgelegde informatie van de huisarts van appellant blijkt dat appellant in mei 2003 naar het maatschappelijk werk is verwezen, alwaar hij na één gesprek niet meer is verschenen, dat appellant de voorgeschreven antidepressiva niet consequent gebruikte en dat appellant rond de in geding zijnde datum de huisarts niet heeft bezocht. Gelet op het vorenstaande overweegt de Raad dat de bezwaarverzekeringsarts G.P.J. de Kanter in zijn rapportage van 20 januari 2005 met juistheid heeft kunnen vaststellen dat er bij appellant op de datum in geding geen sprake was van een aanmerkelijke psychiatrische problematiek, maar wel van een sociale problematiek. De Raad neemt hierbij mede in aanmerking de omstandigheid dat De Kanter appellant tijdens de hoorzitting zelf heeft gesproken.

De Raad overweegt voorts dat de beschikbare rapportages voldoende informatie bevatten omtrent de gezondheidstoestand van appellant op de in geding zijnde datum om tot een verantwoord oordeel te komen. Aan de eigen, niet met medische gegevens onderbouwde, mening van appellant met betrekking tot zijn gezondheidstoestand kan de Raad niet dat gewicht toekennen dat hij en zijn raadsvrouwe daaraan kennelijk gehecht willen zien.

Met betrekking tot het arbeidskundige deel van de onderhavige schatting overweegt de Raad als volgt.

Uitgaande van de juistheid van de door het Uwv aangenomen beperkingen van appellant ten aanzien van het verrichten van arbeid is de Raad niet gebleken dat appellant de werkzaamheden, behorende bij de door de arbeidsdeskundige geselecteerde en aan appellant voorgehouden functies niet zou kunnen verrichten.

Met betrekking tot de namens appellant aangevoerde grief dat de hem voorgehouden functies niet geschikt zouden zijn vanwege de eisen die daarin worden gesteld op het gebied van knielen of hurken, alsmede buigen of torderen, overweegt de Raad als volgt.

Blijkens de voor appellant vastgestelde zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 28 juni 2004 is appellant onder meer beperkt voor geknield of gehurkt actief zijn, in die zin dat hij minder dan 5 minuten achtereen geknield of gehurkt actief kan zijn, waarbij de verzekeringsarts met name hurken beperkt acht tot telkens niet langer dan ongeveer een halve minuut. Voorts is appellant beperkt geacht voor gebogen en/of getordeerd actief zijn, in die zin dat hij minder dan 5 minuten achtereen gebogen en/of getordeerd actief kan zijn, volgens de desbetreffende toelichting van de verzekeringsarts telkens tot ongeveer 2 minuten. Verder is in rubriek 4 van de FML aangegeven dat knielen en hurken normaal zijn, in die zin dat appellant knielend of hurkend de grond kan bereiken en dat buigen en torderen op zich normaal zijn.

Nu het, blijkens de rapportages van de bezwaararbeidsdeskundige M.J.W.M. Willemse van 11 februari 2005 en 5 april 2005, in de geduide functies, voor zover hier van belang, gaat om het (incidenteel) oprapen van voorwerpen van de grond, hetgeen slechts enkele seconden duurt en bovendien ook knielend of op één knie kan worden gedaan, alsmede om kortcyclisch buigen of torderen - waarvoor appellant blijkens de FML niet beperkt is - maar niet om gebogen en/of getordeerd actief zijn, slaagt deze grief niet.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J.F Bandringa en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2008.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) I.R.A. van Raaij.

JL