Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2461

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-01-2008
Datum publicatie
24-01-2008
Zaaknummer
05-7342 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Onvoldoende arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/7342 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 14 november 2005, 05/1959 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.M.M. Brouwer, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Brouwer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M. Snijders.

II. OVERWEGINGEN

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest in de bloementeelt gedurende 38 uur per week. In de situatie dat zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving heeft appellante zich per 21 februari 2001 ziek gemeld in verband met rugklachten, waarvoor zij op 19 december 2001 een operatie heeft ondergaan. Na afloop van de wachttijd van 52 weken is aan appellante met ingang van 20 februari 2002 een uitkering toegekend ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 80 tot 100%.

Op 13 mei 2003 heeft verzekeringsarts W.S. Vrijlandt appellante onderzocht en is daarbij tot de conclusie gekomen dat appellante niet al te ernstige beperkingen ondervindt bij het gebruiken van haar - niet-dominante - linkerarm en dat zij haar rug niet zwaar kan belasten. Arbeidskundig onderzoek heeft geleid tot de conclusie dat appellante met inachtneming van haar beperkingen in staat is functies te vervullen waarmee zij een zodanig inkomen kan verwerven dat sprake is van een mate van arbeidsongeschiktheid van 2%. Overeenkomstig deze bevindingen heeft het Uwv bij besluit van 24 juni 2003 de WAO-uitkering van appellante per 17 augustus 2003 ingetrokken.

Appellante heeft tegen het besluit van 24 juni 2003 bezwaar gemaakt. Na heroverweging van de medische en arbeidskundige grondslag van dat besluit heeft het Uwv bij besluit van 11 februari 2004 het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering per 17 augustus 2003 gehandhaafd.

De rechtbank ’s-Gravenhage heeft bij uitspraak van 15 oktober 2004 het beroep van appellante tegen het besluit op bezwaar van 11 februari 2004 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen zij in die uitspraak heeft overwogen. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts ten onrechte in het herhaalde advies van de neuroloog aan appellante om niet op haar elleboog te leunen geen aanleiding gezien om in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) dienaangaande een beperking op te nemen. Beide partijen hebben in deze uitspraak berust.

Een bezwaarverzekeringsarts heeft naar aanleiding van de uitspraak een nieuwe FML opgesteld waarin in de rubriek 4 bij onderdeel 24.1 tevens als specifieke voorwaarde voor het dynamisch handelen in arbeid is opgenomen dat appellante tijdens het werken niet op de ellebogen mag leunen. In de rapportage van 20 december 2004, ondertekend door bezwaarverzekeringsarts J.D. van der Nieuwe Giessen en bezwaararbeidsdeskundige J.A.M. Snijders, is vermeld dat leunen en steunen op de ellebogen in een werksituatie kan voorkomen wanneer zittend gewerkt moet worden op ooghoogte en dat deze belasting niet voorkomt in de functies van assemblagemedewerker, sorteerder en productiemedewerker textiel die mede aan het besluit van 24 juni 2003 ten grondslag hebben gelegen. Bij besluit van 22 februari 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 24 juni 2003 opnieuw ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat leunen en steunen op de ellebogen alleen voorkomt wanneer zittend met de handen op ooghoogte moet worden gewerkt, hetgeen niet het geval is in de geselecteerde functies. Voorts is naar het oordeel van de rechtbank afdoende gemotiveerd dat de functies geen overschrijding van de belastbaarheid van appellante opleveren. Weliswaar is in de functie van assemblagemedewerker sprake van een overschrijding op het onderdeel tillen, maar deze overschrijding wordt gecompenseerd door de lagere frequentie. De rechtbank heeft vastgesteld dat de functies van assemblagemedewerker, sorteerder en productiemedewerker textiel passen binnen de aangepaste FML.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat uit de rapportages van de bezwaararbeidsdeskundige niet kan worden afgeleid of er bij de functies geen sprake is van werkzaamheden waarbij het leunen op de ellebogen voorkomt dan wel kan voorkomen. Tevens heeft appellante haar bezwaren tegen de FML gehandhaafd. Appellante is van mening dat zij meer beperkingen ondervindt met betrekking tot diverse dynamische handelingen en statische houdingen en dat zij niet in staat is om acht uur per dag en 40 uur per week te werken. Volgens appellante is zij niet in staat om de functie van assemblagemedewerker te vervullen, enerzijds omdat gewerkt wordt met schriftelijke instructies en anderzijds omdat in deze functie tot 90 graden moet worden gebogen en tot 20 kg wordt getild. In dat verband heeft appellante gewezen op een arbeidskundige rapportage van 13 mei 2002, waarin de functies van assemblagemedewerker en productiemedewerker als ongeschikt zijn aangemerkt vanwege de daarin voorkomende belasting van het tillen van 20 kg tot vijf keer per dag respectievelijk tot twee keer per dag. De functies van sorteerder en productiemedewerker textiel acht appellante ongeschikt omdat daarin tot 15 kg moet worden getild respectievelijk gewerkt wordt met schriftelijke werkopdrachten en tot 90 graden moet worden gebogen.

De Raad overweegt het navolgende.

De Raad vindt, gelet op hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd over de medische grondslag van het bestreden besluit, in de beschikbare medische gegevens onvoldoende reden om aannemelijk te achten dat de belastbaarheid van appellante, zoals weergegeven in de FML van 29 november 2004, is overschat. Het standpunt van appellante dat zij op diverse onderdelen van de FML ten aanzien van dynamische handelingen en statische houdingen meer beperkingen ondervindt, wordt niet ondersteund door een medisch advies, terwijl de beschikbare medische gegevens daarvoor geen ondersteuning bieden. Dit geldt eveneens voor het standpunt van appellante dat ten onrechte geen urenbeperking is aangenomen.

Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad als volgt. Mede gelet op de rapportage van bezwaararbeidsdeskundige F. Swart van 23 februari 2006 berust de onderhavige schatting uiteindelijk op de functies van assemblagemedewerker (SBC-code 111180), sorteerder (SBC-code 111340) en productiemedewerker textiel (SBC-code 272043). Naar het oordeel van de Raad heeft de bezwaararbeidsdeskundige in deze rapportage genoegzaam aannemelijk gemaakt dat in deze functies, die worden uitgevoerd aan een assemblagelijn of een aanvoerband, een lopende band respectievelijk met een naai- en bandstikmachine, niet zittend op ooghoogte wordt gewerkt. Naar het oordeel van de Raad wordt in deze functies voldaan aan het vereiste dat appellante niet tijdens het werken op haar ellebogen mag steunen.

De grief van appellante dat zij de functies van assemblagemedewerker en bandster (behorende tot SBC-code 272043) niet kan vervullen omdat in die functies wordt gewerkt met schriftelijke werkinstructies, kan de Raad niet onderschrijven. De bezwaararbeidsdeskundigen Snijders en Swart hebben erop gewezen dat voor deze functies geen opleidingseisen gelden en dat de schriftelijke instructies beperkt zijn tot het niveau waarop eenvoudige tekeningen en/of aanduidingen herkend moeten worden. De Raad onderschrijft het standpunt dat appellante in staat moet worden geacht dergelijke eenvoudige instructies te begrijpen. De Raad is tevens van oordeel dat de belasting van deze twee functies op het onderdeel buigen de belastbaarheid van appellante niet te boven gaat. In de FML is geen beperking opgenomen op het onderdeel buigen, hetgeen inhoudt dat appellante tot de normaalwaarde van 90 graden buigen belastbaar is. De FML bevat alleen een beperking ten aanzien van frequent buigen in die zin dat appellante elk uur van de werkdag frequent kan buigen, zij het tot 60 graden. De Raad is van oordeel dat een belasting van kortcyclisch buigen gedurende acht werkuren twee maal ongeveer 90 graden, zoals die voorkomt in de functie van assemblagemedewerker, en gedurende vier werkuren vijf maal ongeveer 90 graden, zoals die voorkomt in de functie van bandster, de belastbaarheid van appellante niet overschrijdt.

In de functie van assemblagemedewerker wordt tijdens acht werkuren drie maal gewichten van ongeveer 20 kg achtereen getild en dagelijks vier maal 20 kg gedragen.

In het aanvullend beroepschrift heeft appellante gewezen op de rapportage van arbeidsdeskundige J. Noort van 13 mei 2002 inzake een eerdere beoordeling van appellante, waarin de functie van assemblagemedewerker is komen te vervallen omdat de daarin voorkomende belasting van tillen tot 20 kg bij een frequentie van vijf maal per dag niet is toegestaan. In dezelfde rapportage is ook de functie van productiemedewerker (behorende tot de SBC-code 111170) komen te vervallen omdat de daarin voorkomende belasting van tillen tot 20 kg bij een frequentie van twee maal per dag niet is toegestaan. De Raad stelt vast dat bij die arbeidskundige beoordeling dezelfde beperkingen aan de orde waren als in dit geding aan de orde zijn. Voorts stelt de Raad vast dat bezwaararbeidsdeskundige Swart in de rapportage van 23 februari 2006 op dit punt heeft volstaan met verwijzing naar de rapportage van bezwaararbeidsdeskundige Snijders van 2 februari 2005, maar dat ook in die rapportage niet is gemotiveerd dat de belasting op het onderdeel tillen voor appellante op 17 augustus 2003 niet langer een beletsel vormde om deze functie te vervullen. De toelichting in laatstgenoemde rapportage dat de mate van tillen (15 kg) wordt overschreden, echter niet bij alle til/draag-taken, terwijl de frequentie minder is en het tillen en dragen in relatief gunstige omstandigheden voorkomt (bevoorrading: bakken die tweezijdig gedragen/getild kunnen worden) acht de Raad daartoe ontoereikend. Desgevraagd heeft ook de gemachtigde van het Uwv ter zitting daaromtrent geen opheldering kunnen verschaffen. De Raad is derhalve van oordeel dat het bestreden besluit niet berust op een toereikende arbeidskundige grondslag.

De Raad concludeert dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot stand is gekomen, noch is voorzien van een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, komt de Raad dan ook tot de slotsom dat het hoger beroep slaagt en dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Dat houdt in dat het Uwv opnieuw op de bezwaren van appellante dient te beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Tevens dient het Uwv een besluit te nemen op verzoek van appellante om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot

€ 1.288,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 140,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J.F. Bandringa en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2008.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) I.R.A. van Raaij.

JL