Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2459

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-01-2008
Datum publicatie
24-01-2008
Zaaknummer
06-2468 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Medische beperkingen onderschat? Zorgtaken buiten beschouwing laten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2468 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 maart 2006, 05/4355 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.A.M. van Leeuwen, advocaat te Schiedam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2007. Namens appellante is verschenen haar gemachtigde, mr. Van Leeuwen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellante ontvangt sinds 17 februari 2000 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

De verzekeringsarts E. Sint Nicolaas heeft appellante op 2 maart 2005 onderzocht in het kader van een herbeoordeling. Deze verzekeringsarts heeft op dezelfde datum een rapport uitgebracht en een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld, waarin beperkingen zijn opgenomen in de rubrieken 3, 4 en 5.

Aan de hand van deze FML heeft de arbeidsdeskundige R.R.D. Kooyman functies voor appellante geselecteerd. In het door Kooyman op 27 april 2005 uitgebrachte rapport is als conclusie vermeld dat appellante met de voor haar geschikt te achten functies een dusdanig inkomen kan verwerven dat haar mate van arbeidsongeschiktheid op minder dan 15% moet worden gesteld.

Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 11 mei 2005 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 4 juli 2005 ingetrokken.

Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt. In de bezwaarfase heeft de bezwaarverzekeringsarts C.E.M. van Geest informatie bij de huisarts van appellante ingewonnen. Op 16 augustus 2005 heeft de bezwaarverzekeringsarts gerapporteerd dat er geen reden is voor bijstelling van de FML van 2 maart 2005. Voorts heeft de arbeidsdeskundige C. Weegman bij rapport van 4 augustus 2005 een nadere toelichting gegeven op de medische geschiktheid van de aan appellante voorgehouden functies.

Bij besluit van 24 augustus 2005 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 11 mei 2005 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Hierbij heeft de rechtbank de medische grondslag van het bestreden juist geacht. Voorts was de rechtbank van oordeel dat door het Uwv voldoende is toegelicht dat de aan appellante voorgehouden functies voor haar in medisch opzicht geschikt zijn.

In hoger beroep heeft appellante, evenals in eerste aanleg, naar voren gebracht dat zij het verrichten van arbeid niet kan verenigen met de zorg voor haar gezin en dat zij bij werkhervatting ernstige psychische klachten zou ontwikkelen. Hierbij heeft zij erop gewezen dat zij regelmatig flauwvalt. Volgens appellante heeft zij geen duurzaam benutbare mogelijkheden tot het verrichten van arbeid.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

De Raad overweegt als volgt.

De primaire verzekeringsarts heeft in het hiervoor genoemde rapport van 2 maart 2005 vermeld dat de bij appellante voorheen bestaande depressieve klachten zijn verdwenen en dat bij onderzoek geen aanwijzingen konden worden gevonden voor evidente psychopathologie. Hierbij heeft de verzekeringsarts aangegeven dat appellante de zorg heeft voor haar kinderen en voor haar echtgenoot, die na een auto-ongeval hulpbehoevend is geworden. Volgens de verzekeringsarts verkeert appellante in moeilijke omstandigheden, maar functioneert zij onder spanning thans volkomen normaal. De verzekeringsarts is tot de conclusie gekomen dat (alleen) in verband met de door appellante ondervonden rugklachten medische beperkingen moeten worden aangenomen. In de bezwaarfase heeft de huisarts van appellante, F.J. Boute, bij brief van 14 juli 2004 (lees: 2005) informatie verstrekt aan de bezwaarverzekeringsarts. De bezwaarverzekeringsarts heeft gerapporteerd dat bij appellante sprake is van psychosomatische klachten als gevolg van een zeer problematische gezinssituatie. Volgens de bezwaarverzekeringsarts is er evenwel, gelet op het ontbreken van psychiatrische problematiek en het functioneren van appellante in het dagelijks leven, geen reden om beperkingen aan te nemen met betrekking tot het persoonlijk en sociaal functioneren. De bezwaarverzekeringsarts is tot de conclusie gekomen dat de door de primaire verzekeringsarts opgestelde FML gehandhaafd moet blijven. Tijdens de beroepsprocedure in eerste aanleg heeft het Uwv een rapport ingebracht van de bezwaarverzekeringsarts Van Geest van 2 november 2005, waarin is ingegaan op het door appellante naar voren gebrachte flauwvallen. In dit rapport is aangegeven dat appellante niet onder behandeling is voor deze klachten en dat zij hiervoor geen medicijnen gebruikt. Voorts is er door de bezwaarverzekeringsarts op gewezen dat de huisarts in de brief van 14 juli 2005 geen melding maakt van deze klachten. Volgens de bezwaarverzekeringsarts is er daarom geen reden om in verband met deze klachten medische beperkingen aan te nemen. De Raad heeft geen aanleiding gevonden voor twijfel aan de juistheid van de door de bezwaarverzekeringsarts getrokken conclusies. Hierbij merkt de Raad op dat door appellante ook in hoger beroep geen medische stukken zijn overgelegd ter onderbouwing van de aard en ernst van de aangegeven klachten in verband met flauwvallen. Voorts wijst de Raad wat betreft de zorgtaak van appellante in haar gezin nog op zijn uitspraak van 13 februari 2007, LJN: AZ8426. In die uitspraak is overwogen dat deze zorgtaak geen object van de verzekering ingevolge de WAO is en daarom bij de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid geen rol kan spelen.

Aan appellante zijn functies voorgehouden binnen de sbc-codes 267050 - wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur, 272042 - productiemedewerker confectie, kleermaken en 272043 - productiemedewerker textiel, geen kleding. Voorts is een functie voorgehouden binnen sbc-code 111190 - inpakker (handmatig). De Raad is van oordeel dat door de arbeidsdeskundige voldoende is toegelicht dat de desbetreffende functies voor appellante geschikt zijn. De Raad is tot de conclusie gekomen dat de WAO-uitkering van appellante terecht is ingetrokken.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep geen doel treft en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter en J.F. Bandringa en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2008.

(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.

(get.) I.R.A. van Raaij.

JL