Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2456

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-01-2008
Datum publicatie
24-01-2008
Zaaknummer
06/2651, 06/2652 en 06/2653 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anticumulatie wegens inkomsten als zelfstandige. Terugvordering. Winstverdeling tussen echtgenoten. Economische waarde werkzaamheden.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 80
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2651, 06/2652 en 06/2653 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 16 maart 2006, 04/836, 05/649 en 05/650 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.S. Beumer, werkzaam bij Accon Accountants en Adviseurs te Arnhem, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2007.

Appellant is niet verschenen.

Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Belopavlovic.

II. OVERWEGINGEN

Voor een uitgebreidere weergave van de feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.

Appellant ontving met ingang van 29 mei 1996 onder meer een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Sinds 1995 exploiteert appellant met zijn echtgenote een minicamping. Later zijn zij daarnaast begonnen met een ambulante handel in restpartijen. De bedrijfsactiviteiten zijn ondergebracht in een vennootschap onder firma, waarvan appellant en zijn echtgenote de vennoten zijn.

Bij besluit van 19 februari 2004 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat zijn uitkering in verband met zijn inkomsten als zelfstandige in het jaar 2001 met toepassing van artikel 44 van de WAO over dat jaar wordt uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

Bij besluit van 24 februari 2004 heeft het Uwv de over 2001 onverschuldigd betaalde WAO-uitkering ten bedrage van € 6.633,30 bruto teruggevorderd.

Bij besluit van 22 juli 2004 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv de bezwaren tegen de besluiten van 19 en 24 februari 2004 ongegrond verklaard.

Bij besluit van 12 november 2004 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat zijn uitkering in verband met zijn inkomsten als zelfstandige in het jaar 2002 met toepassing van artikel 44 van de WAO over dat jaar wordt uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

Bij besluit van 10 mei 2005 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv de bezwaren tegen het besluit van 12 november 2004 ongegrond verklaard.

Bij besluit van 16 november 2004 heeft het Uwv de over 2002 onverschuldigd betaalde WAO-uitkering ten bedrage van € 6.926,93 bruto van appellant teruggevorderd.

Bij besluit van 12 mei 2005 (bestreden besluit 3) heeft het Uwv de bezwaren tegen het besluit van 16 november 2004 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten 1, 2 en 3 ongegrond verklaard.

De Raad overweegt als volgt.

De korting die het Uwv over de jaren 2001 en 2002 op de uitkering van appellant heeft toegepast is nader gemotiveerd in een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige L.H.L. Stiekema van 7 februari 2006, uitgebracht tijdens de procedure bij de rechtbank. Stiekema heeft in het kader van de berekening van de korting het netto bedrijfsresultaat van de vennootschap tussen appellant en zijn echtgenote verdeeld op basis van een door hen verstrekte opgave van het aantal uren dat zij in het bedrijf gewerkt hebben. De bezwaararbeidsdeskundige is uiteindelijk akkoord gegaan met deze urenopgave, die vermeldt dat appellant per jaar 2450 uur in het bedrijf werkte en zijn echtgenote 2850 uur. Op basis van de in de opgave opgesomde taken heeft de bezwaararbeidsdeskundige geen argumenten gezien om aan appellant en zijn echtgenote een aparte arbeidsbeloning toe te kennen en heeft hij het reëel geacht om uit te gaan van een gelijke beloning tussen beide partners.

Appellant heeft in hoger beroep allereerst als formele grief aangevoerd dat het Uwv het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 7 februari 2006 heeft ingediend nadat de termijn van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor het indienen van stukken was verstreken. Uit de stukken blijkt evenwel dat het Uwv dit rapport op

10 februari 2006 aan de rechtbank per fax en aan de gemachtigde op dezelfde datum zowel per fax als per gewone post heeft doen toekomen, terwijl de zitting op 21 februari 2006 heeft plaatsgevonden. Het rapport is derhalve binnen de termijn van artikel 8:58 van de Awb ingediend, zodat deze grief faalt.

Appellant heeft voorts aangevoerd dat hij niet verplicht was om aan het Uwv een overzicht van de door hem en zijn echtgenote gewerkte uren en van de waardering van de gewerkte uren te verstrekken. Het ligt naar zijn mening op de weg van het Uwv om hiernaar nader onderzoek te doen indien het Uwv van mening is dat moet worden afgeweken van de gemaakte fiscale keuze.

Ook deze grief kan niet slagen. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 20 mei 2005, LJN: AT6437) komt bij de beantwoording van de vraag welk deel van de nettowinst van een onderneming waarin echtgenoten samenwerken aan ieder van hen moet worden toegerekend, in het algemeen doorslaggevende betekenis toe aan de winstverdeling zoals deze door de fiscus is aanvaard. Er zijn echter uitzonderingsgevallen waarin van dat uitgangspunt kan worden afgeweken, waarbij kan worden gedacht aan situaties waarin het op grond van de beschikbare gegevens buiten redelijke twijfel is dat de fiscale winstverdeling niet overeenkomt met de (waarde van de) feitelijke arbeidsinbreng van de echtgenoten. Het Uwv heeft in dit geval onderzocht of van een dergelijke situatie sprake was ten einde te kunnen beoordelen of aanleiding bestond om af te wijken van de tussen appellant en zijn echtgenote gemaakte winstverdeling. In het kader van dat onderzoek kon van appellant, gelet op zijn in artikel 80 van de WAO neergelegde verplichting om het Uwv alle feiten en omstandigheden mee te delen waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk is dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, gevergd worden dat hij het Uwv inzicht verschafte in de aard en omvang van de door hem en zijn echtgenote in het bedrijf verrichte werkzaamheden.

Voorts heeft appellant gesteld dat het Uwv bij de waardering van de gewerkte uren ten onrechte is uitgegaan van een gelijke beloning tussen hem en zijn echtgenote. Volgens appellant is de waarde die aan de door hem verrichte arbeid kan worden toegekend aanzienlijk minder dan de waarde die aan de arbeid van zijn echtgenote kan worden toegekend. In dit verband heeft appellant er op gewezen dat de door hem verrichte arbeid slechts bestond uit geringe ondersteuning en het aangaan van kortdurende en nietszeggende gesprekjes.

De Raad kan appellant hierin niet volgen. Uit het door appellant verstrekte urenoverzicht blijkt dat hij gelijksoortige werkzaamheden verrichtte als zijn echtgenote, kort gezegd het bezoeken van markten om daar goederen te verkopen en het houden van toezicht op de minicamping. De Raad merkt hierbij op dat het voeren van gesprekken in de functie van markthandelaar en campinghouder behoort tot de taak van een dergelijk ondernemer en dan ook als productieve arbeid moet worden aangemerkt. Appellant heeft de Raad er niet van kunnen overtuigen dat er een wezenlijk verschil in economische waarde is tussen zijn werkzaamheden en die van zijn echtgenote. De Raad betrekt hierbij dat blijkens het urenoverzicht appellant en zijn echtgenote afzonderlijk van elkaar markten bezochten en het toezicht op de camping met elkaar afwisselden.

Gelet op het vorenstaande heeft het Uwv naar het oordeel van de Raad op goede gronden aanleiding gezien om in afwijking van de tussen appellant en zijn echtgenote afgesproken winstverdeling, waarbij meer dan 80% van het bedrijfsresultaat aan de echtgenote werd toegerekend, uit te gaan van een verdeling op grond van het aantal door hen gewerkte uren en een gelijke waardering van die uren.

Appellant heeft tegen de terugvorderingsbesluiten geen grieven aangevoerd. De Raad ziet geen aanleiding om die besluiten onjuist te achten.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter en J.F. Bandringa en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2008.

(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.

(get.) I.R.A. van Raaij.

JL