Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC2453

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-01-2008
Datum publicatie
24-01-2008
Zaaknummer
06-6259 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om besluit, inzake opgelegde maatregel bijstandsuitkering, te herzien. Art.4:6 Awb van toepassing als eerder afwijzend besluit voorhanden. Geen heroverweging ogv gestelde kennelijke onjuistheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2008, 71
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6259 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 20 september 2006, 06/1066 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Beuningen (hierna: College)

Datum uitspraak: 8 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.P.J. Rubens, advocaat te Boven-Leeuwen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 november 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Rubens. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.W. van de Langemheen, werkzaam bij de gemeente Beuningen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Op 14 mei 2003 heeft appellante een aanvraag ingediend om een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw). Bij besluit van 29 september 2003 heeft het College appellante met ingang van 6 mei 2003 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder. Voorts heeft het College bij dat besluit appellante een maatregel opgelegd ter hoogte van 100% van de bijstandsnorm voor de duur van zes maanden. Aan de maatregel heeft het College ten grondslag gelegd dat appellante blijk heeft gegeven van onvoldoende besef van verantwoordelijkheid in de voorziening van het bestaan aangezien zij na haar echtscheiding aanspraak kon maken op de helft van de overwaarde van de voormalige echtelijke woning, maar akkoord is gegaan met (ongeveer) een kwart van deze overwaarde. Het College heeft voorts overwogen dat, gelet op de persoonlijke omstandigheden van appellante, in de periode dat de maatregel is opgelegd bijstand wordt verstrekt in de vorm van een (aanvullende) geldlening ter hoogte van 90% van de voor appellante geldende bijstandsnorm en dat appellante ingaande 5 november 2003 met afbetaling van de geldlening begint met 6% van de voor haar geldende bijstandsnorm.

Bij brief van 19 oktober 2004 heeft appellante het College meegedeeld dat zij het besluit van 29 september 2003 nooit heeft ontvangen, dat zij van dat besluit omstreeks 30 september 2004 kennis heeft gekregen nadat zij had bemerkt dat geld werd ingehouden op haar uitkering in verband met deze maatregel en dat zij het niet eens is met de opgelegde maatregel. Appellante verzoekt het College haar mee te delen waarop het College zijn stelling baseert dat zij meer geld heeft kunnen opeisen dan zij heeft gedaan.

Naar aanleiding van de brief van 19 oktober 2004 heeft het College appellante bij brief van 15 december 2004 meegedeeld dat volgens het postregistratiesysteem van de gemeente Beuningen het besluit van 29 september 2003 wel degelijk aan haar is toegezonden en dat dat besluit in rechte onaantastbaar is geworden. Voorts heeft het College appellante meegedeeld dat het haar vrijstaat om alsnog een bezwaarschrift in te dienen tegen het besluit van 29 september 2003 en dat zij in plaats van een bezwaarschrift in te dienen het College ook kan verzoeken het besluit van 29 september 2003 te herzien.

Bij brief van 11 januari 2005 heeft appellante het College verzocht het besluit van 29 september 2003 te herzien voor zover het de maatregel betreft en haar alsnog in aanmerking te brengen voor bijstand om niet gedurende de periode dat haar die maatregel is opgelegd.

Bij besluit van 1 juli 2005 heeft het College met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het verzoek van appellante afgewezen.

Bij besluit van 10 januari 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 1 juli 2005 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 10 januari 2006 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.

Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld zijn uitspraak van 8 maart 2001, LJN AB0931) is voor de toepassing van artikel 4:6 van de Awb niet van betekenis of het eerdere afwijzende besluit formele rechtskracht heeft dan wel anderszins als rechtens onaantastbaar heeft te gelden. De Raad wijst er in dit verband op dat blijkens de tekst van dat artikel voldoende is dat een eerder afwijzend besluit van het bestuursorgaan voorhanden is. Het voorgaande brengt mee dat al hetgeen appellante heeft aangevoerd om aannemelijk te maken dat zij tegen het besluit van 29 september 2003 bezwaar heeft gemaakt en dat het College nog niet op dit bezwaarschrift heeft beslist in dit geding geen bespreking behoeft.

Bij besluit van 29 september 2003 heeft het College, door appellante een maatregel van 100% van de bijstandsnorm gedurende zes maanden op te leggen, gedeeltelijk afwijzend beslist op haar aanvraag om bijstand van 14 mei 2003. Op 11 januari 2005 heeft appellante om herziening van het besluit van 29 september 2003 verzocht en gevraagd haar alsnog in aanmerking te brengen voor bijstand om niet gedurende de periode dat haar bij dat besluit een maatregel is opgelegd. Appellante heeft daartoe aangevoerd dat zij op huwelijksvoorwaarden was gehuwd en in deze voorwaarden elke gemeenschap van goederen wordt uitgesloten, dat de woning inderdaad gezamenlijk eigendom van haar en haar gewezen echtgenoot was, dat de verdeling volledig heeft plaatsgevonden via de notaris en dat zij niet beter weet dan dat zij heeft gekregen waarop zij recht had. Zij heeft voorts een notariële akte van 26 april 2002 overgelegd. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het daarbij niet gaat om nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb, aangezien een en ander al bekend was op het moment dat de aanvraag van 14 mei 2003 werd beoordeeld. Het College was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb het verzoek om herziening van het besluit van 29 september 2003 af te wijzen.

Appellante heeft aangevoerd dat het besluit van 29 september 2003 evident onjuist was en dat het College op die grond gehouden was dat besluit in volle omvang te heroverwegen. De Raad volgt appellante niet in deze grief. Zoals de Raad reeds vaker heeft overwogen (zie onder meer de uitspraak van 4 december 2003, LJN AN9805) speelt de (kennelijke) onjuistheid van het oorspronkelijke besluit als zodanig geen beslissende rol en brengt dit niet mee dat het bestuursorgaan niet in redelijkheid gebruik kan maken van zijn bevoegdheid om toepassing te geven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb.

Appellante heeft zich ten slotte beroepen op het vertrouwensbeginsel. Op grond van de beschikbare gegevens is voor de Raad evenwel niet komen vast te staan dat vanwege het College bij appellante zodanige verwachtingen zijn gewekt dat daarop een in rechte te honoreren beroep op het vertrouwensbeginsel jegens het College kan worden gebaseerd. De Raad merkt in dit verband op dat appellante haar stelling dat naar aanleiding van de brief van 15 december 2004 telefonisch overleg met de gemeente heeft plaatsgevonden waarbij is aangegeven dat, indien een verzoek om herziening wordt ingediend, een volledige heroverweging zal plaatsvinden, niet heeft onderbouwd met objectieve en verifieerbare gegevens.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.J.A. Kooijman en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2008.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

IJ